Chartdee & Banning Lawfirm

Chartdee & Banning Lawfirm Legal services and Notary Public. Criminal law, Commercial law, Litigation law, Family law, agreements, Last will. By Dr.Pornthip Chartdee PhD. LL.D.

Artikel 1713 van het Thais Burgerlijk en Handelswetboek (Civil and Commercial Code)Artikel 1713 bepaalt het recht om de ...
17/06/2026

Artikel 1713 van het Thais Burgerlijk en Handelswetboek (Civil and Commercial Code)

Artikel 1713 bepaalt het recht om de rechtbank te verzoeken een executeur of beheerder van de nalatenschap te benoemen wanneer de erflater is overleden. De belangrijkste bepalingen luiden als volgt:

1. Personen die bevoegd zijn een verzoekschrift bij de rechtbank in te dienen
(a) Erfgenamen
Hieronder vallen:
Wettelijke erfgenamen;
Testamentaire erfgenamen (legatarissen of begunstigden krachtens testament).
Deze personen hebben een rechtmatig belang bij de nalatenschap en zijn derhalve bevoegd de rechtbank te verzoeken een beheerder van de nalatenschap te benoemen.
(b) Belanghebbenden
Hieronder worden verstaan personen die rechtstreeks een juridisch belang hebben bij de nalatenschap, zoals:
Schuldeisers van de erflater;
Schuldeisers van een erfgenaam;
Verkrijgers van erfrechtelijke aanspraken;
Andere personen wier rechten of belangen door het beheer van de nalatenschap worden geraakt.
Volgens de jurisprudentie van het Thaise Hooggerechtshof hoeft een belanghebbende niet noodzakelijk een erfgenaam van de overledene te zijn; voldoende is dat hij of zij een rechtstreeks en rechtens relevant belang heeft bij de nalatenschap.
(c) De Openbare Aanklager
De Openbare Aanklager is eveneens bevoegd een verzoekschrift in te dienen indien dit noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van het algemeen belang of voor een behoorlijke afwikkeling van de nalatenschap overeenkomstig de wet.

2. Gronden voor de benoeming van een beheerder van de nalatenschap
Artikel 1713 voorziet onder meer in de volgende gevallen:
Een wettelijke of testamentaire erfgenaam is vermist, verblijft buiten het Koninkrijk Thailand of is minderjarig;
Een executeur, beheerder of erfgenaam niet in staat is, niet bereid is, of verhinderd wordt de nalatenschap te beheren of te verdelen;
Een testamentaire bepaling betreffende de benoeming van een executeur of beheerder niet kan worden uitgevoerd of geen werking heeft.

3. Beginselen bij de benoeming van een beheerder van de nalatenschap
Indien de erflater in zijn testament een executeur of beheerder van de nalatenschap heeft aangewezen, zal de rechtbank in beginsel uitvoering geven aan die wilsbeschikking. Indien geen dergelijke aanwijzing bestaat, heeft de rechtbank de bevoegdheid een geschikte persoon te benoemen, waarbij zij rekening houdt met de vermoedelijke wil van de erflater en de belangen van de erfgenamen.

De jurisprudentie van het Thaise Hooggerechtshof bevestigt voorts dat een door de rechtbank benoemde beheerder van de nalatenschap niet noodzakelijk een erfgenaam hoeft te zijn. Ook een derde kan worden benoemd, mits deze geschikt wordt geacht en niet door de wet van deze functie is uitgesloten.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van het Thaise Hooggerechtshof nr. 3236/2567De verzoeker werd door een schuldeiser op basis van een rechterlijke ...
13/06/2026

Arrest van het Thaise Hooggerechtshof nr. 3236/2567

De verzoeker werd door een schuldeiser op basis van een rechterlijke uitspraak in staat van faillissement doen verklaren. De verzoeker en mevrouw J. hebben vervolgens hun echtscheiding laten registreren met het doel executie maatregelen te ontlopen en te voorkomen dat dit gevolgen zou hebben voor de beroepsuitoefening van mevrouw J.

Het verzoek dat de verzoeker in deze procedure heeft ingediend, strekkende tot een rechterlijk bevel waarbij de geregistreerde echtscheiding nietig wordt verklaard, is derhalve in strijd met de verklaringen die zijn opgenomen in het aanhangsel bij de echtscheiding registratie. Bovendien beroept de verzoeker zich op nieuw aangevoerde feiten uitsluitend ten behoeve van zijn proces positie.

Het verzoek moet daarom worden aangemerkt als een uitoefening van een recht in strijd met de goede trouw en derhalve als misbruik van recht in de zin van artikel 5 van het Thaise Burgerlijk en Handelswetboek (Civil and Commercial Code).

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

12/06/2026
Arrest van het Thaise Hooggerechtshof nr. 3622/2568Burgerlijk en Handelswetboek (CCC) artikel 653, eerste lid; Wet op El...
12/06/2026

Arrest van het Thaise Hooggerechtshof nr. 3622/2568

Burgerlijk en Handelswetboek (CCC) artikel 653, eerste lid; Wet op Elektronische Transacties B.E. 2544 (2001), artikelen 7, 8 en 9

Uit de schermopname van de LINE-applicatie, waarin de eiser en de gedaagde met elkaar communiceerden, blijkt dat zij op 15 maart 2022 om 15.20 uur telefonisch contact hadden via de LINE-applicatie. Vervolgens hadden zij opnieuw telefonisch contact via LINE om 16.35 uur. Daarna maakte de eiser om 17.00 uur een bedrag van 100.000 baht over naar de bankrekening van de gedaagde. Om 17.07 uur stuurde de gedaagde aan de eiser een sticker met de tekst “Dank u wel”.

In de inhoud van de communicatie tussen partijen via de LINE-applicatie is echter geen enkele mededeling opgenomen waaruit blijkt dat de overboeking van 100.000 baht een geldlening betrof.

Hoewel deze communicatie kwalificeert als elektronische gegevens waarop artikel 7 van de Wet op Elektronische Transacties B.E. 2544 van toepassing is, welk artikel verbiedt de rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid van elektronische berichten louter vanwege hun elektronische vorm te ontkennen, en hoewel ingevolge artikel 9 het verzenden van de sticker met de woorden “Dank u wel” kan worden aangemerkt als een elektronische handtekening van de gedaagde, zoals door de eiser in cassatie werd aangevoerd, geldt tevens dat op grond van artikel 8 de elektronische boodschap toegankelijk en reproduceerbaar moet zijn op een wijze waaruit de betekenis van een geldlening overeenkomst blijkt.

Alleen dan kan een dergelijke elektronische boodschap worden beschouwd als een schriftelijk bewijs van een lening in de zin van artikel 653, eerste lid, van het Burgerlijk en Handel wetboek.

Nu de betreffende berichten geen verwijzing bevatten naar het aangaan van een geldlening, kunnen deze elektronische gegevens niet worden aangemerkt als een rechtsgeldig en afdwingbaar bewijs van een leningsovereenkomst. Bijgevolg kunnen zij geen grondslag vormen om de gedaagde te verplichten tot terugbetaling van een vermeende geldlening aan de eiser.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van de Hoge Raad nr. 1541/2568In deze zaak heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend strekkende tot een rechte...
11/06/2026

Arrest van de Hoge Raad nr. 1541/2568

In deze zaak heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend strekkende tot een rechterlijke verklaring dat het huwelijk tussen de heer J. en mevrouw P., althans mevrouw K., nietig is.

Verzoeker stelt daartoe dat mevrouw K. de identiteitskaart van mevrouw P. heeft gebruikt en deze heeft overgelegd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van het district Phon Phisai, provincie Nong Khai. Daarbij heeft mevrouw K. zich tegenover de ambtenaar voorgedaan als mevrouw P. en in die hoedanigheid een verzoek tot huwelijk registratie met de heer J. ingediend. De ambtenaar van de burgerlijke stand verkeerde in de veronderstelling dat mevrouw K. daadwerkelijk mevrouw P. was en heeft vervolgens het huwelijk geregistreerd op naam van mevrouw P. met de heer J.

Deze stelling komt erop neer dat de huwelijks registratie niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden, aangezien mevrouw P. haar toestemming niet persoonlijk en openlijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft verleend en deze toestemming derhalve niet door de ambtenaar is vastgelegd.
Indien de in het verzoekschrift gestelde feiten juist zijn, levert dit een schending op van artikel 1458 van het Thaise Burgerlijk en Handel wetboek (Civil and Commercial Code) betreffende de vereiste toestemming tot het aangaan van een huwelijk. Een dergelijk huwelijk is nietig op grond van artikel 1495 van hetzelfde wetboek.

Krachtens de wet kan uitsluitend een rechterlijke uitspraak vaststellen dat een huwelijk nietig is. Op grond van artikel 1496 kunnen de echtgenoten, hun ouders of hun afstammelingen de rechtbank verzoeken een huwelijk nietig te verklaren.

In het onderhavige geval hebben verzoeker en de drie mede-verzoekers een verzoek ingediend tot nietigverklaring van het huwelijk. Zolang echter de huwelijks registratie tussen de heer J. en mevrouw P. nog niet door een rechterlijke uitspraak nietig is verklaard, blijft de nietigheid van het huwelijk niet rechtens vastgesteld. De rechtsgevolgen van het geregistreerde huwelijk blijven derhalve bestaan totdat de rechtbank hierover een definitieve uitspraak heeft gedaan.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van het Hooggerechtshof van Thailand nr. 574 - 575/2567Op het moment van het opmaken van het testament verkeerde ...
27/05/2026

Arrest van het Hooggerechtshof van Thailand nr. 574 - 575/2567

Op het moment van het opmaken van het testament verkeerde de erflater in een ernstige ziekte- en ouderdom toestand, zodanig dat hij niet in staat was zich te verzetten en evenmin de wezenlijke inhoud van het testament kon begrijpen, welk testament door de opposanten en hun mede partijen was opgesteld en aan de erflater ter vingerafdruk ondertekening was voorgelegd. Het testament is derhalve nietig.

De opposanten zijn bijgevolg geen erfgenamen en evenmin belanghebbenden die bevoegd zijn een verzoek tot benoeming van een executeur of beheerder van de nalatenschap in te dienen overeenkomstig artikel 1713 van het Thaise Burgerlijk en Handel wetboek. Evenmin zijn zij personen wier rechten worden betwist overeenkomstig artikel 55 van het Thaise Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zodat zij geen bevoegdheid hebben bezwaar te maken tegen het verzoek van de verzoeker tot benoeming van een nalatenschap beheerder van de erflater.

Nu de verzoeker een volle broer of zus van de erflater is, is de verzoeker wettelijk erfgenaam van de erflater en derhalve bevoegd de rechtbank te verzoeken een beheerder van de nalatenschap te benoemen overeenkomstig artikel 1713 van het Thaise Burgerlijk en Handel wetboek.

Voorts is niet gebleken dat P., de gevolmachtigde, en het kind van de verzoeker, enige verboden hoedanigheid bezitten zoals bedoeld in artikel 1718 van het Thaise Burgerlijk en Handel wetboek. Derhalve heeft het Hof van Beroep terecht het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg bevestigd, waarbij P. werd benoemd tot beheerder van de nalatenschap van de erflater.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Uitspraak van de Hoge Raad nr. 97/2569De eiser heeft in de dagvaarding gesteld dat de percelen grond met chanote-nummers...
25/05/2026

Uitspraak van de Hoge Raad nr. 97/2569

De eiser heeft in de dagvaarding gesteld dat de percelen grond met chanote-nummers 40379 en 20884 gemeenschappelijk eigendom zijn van eiser en gedaagde, aangezien deze zijn verkregen uit een onderneming die gezamenlijk met gedaagde werd geëxploiteerd. De eiser heeft ter ondersteuning daarvan bewijs geleverd overeenkomstig deze stellingen. Ook in hoger beroep heeft de eiser het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg op dezelfde gronden bestreden.

Het Hof van Beroep voor Gespecialiseerde Zaken heeft als geschilpunt vastgesteld of de percelen met chanote-nummers 40379 en 20884 gezamenlijk verworven vermogen dan wel huwelijksgemeenschap tussen eiser en gedaagde vormden, overeenkomstig de vordering.

Na lezing van het volledige cassatieberoep van eiser blijkt dat eiser heeft aangevoerd dat de percelen met chanote-nummers 40379 en 20884 zijn verkregen uit een geldlening bedrijf dat gezamenlijk met gedaagde werd uitgeoefend, hetgeen dezelfde grondslag vormt als die welke eiser reeds in de dagvaarding heeft aangevoerd en waarvoor bewijs is geleverd.

Hoewel eiser in cassatie heeft gesteld dat de percelen met chanote-nummers 40379 en 20884 huwelijksgoederengemeenschap betreffen, kan dit worden opgevat als een beroep van eiser dat beide percelen gemeenschappelijk eigendom van eiser en gedaagde zijn. Voor een dergelijk beroep op gemeenschappelijk eigendom dient echter vast te staan dat eiser en gedaagde gedurende hun samenleven als man en vrouw gezamenlijk hebben bijgedragen aan de verkrijging van die goederen.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van de Hoge Raad nr. 6064/2567Artikel 34, eerste lid, van het Thaise Burgerlijk en Handel wetboek bepaalt dat:“Ee...
23/05/2026

Arrest van de Hoge Raad nr. 6064/2567

Artikel 34, eerste lid, van het Thaise Burgerlijk en Handel wetboek bepaalt dat:
“Een persoon die als beperkt handelingsbekwaam is verklaard, dient vooraf toestemming van zijn bewindvoerder te verkrijgen alvorens hij een van de volgende rechtshandelingen kan verrichten … enzovoort …”

Uit deze wetsbepaling volgt dat een persoon die door de rechter als beperkt handelingsbekwaam is verklaard, bevoegd blijft om andere rechtshandelingen dan die welke uitdrukkelijk zijn genoemd in artikel 34, eerste lid, zelfstandig te verrichten, zonder voorafgaande toestemming van de bewindvoerder. Betrokkene is immers slechts beperkt handelingsbekwaam ten aanzien van de specifiek genoemde rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van de bewindvoerder wettelijk vereist is.

Nu de rechter S. heeft verklaard tot beperkt handelingsbekwaam persoon en hem onder bewind van gedaagde heeft geplaatst, geldt dat, hoewel een bewindvoerder niet optreedt als wettelijke vertegenwoordiger van een beperkt handelingsbekwaam persoon — in tegenstelling tot de curator van een volledig handelingsonbekwaam persoon die namens die persoon dient te handelen — S., als bedlegerige patiënt, feitelijk niet in staat was om zelfstandig zijn bankzaken met betrekking tot de betreffende depositorekening te beheren.

Het was derhalve de taak van gedaagde, in zijn hoedanigheid van door de rechter benoemde bewindvoerder, om de noodzakelijke handelingen te verrichten. Het wijzigen van de voorwaarden voor geldopnames van de bankrekening van S. moet worden aangemerkt als een normale beheer handeling met betrekking tot het vermogen, teneinde gelden beschikbaar te maken voor de verzorging en medische behandeling van S.

Hoewel eiser als kind onderhoudsplichtig is jegens zijn ouder, …

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 7256/2567Doordat de gedaagde berichten heeft geplaatst en foto’s van eiser heeft gepu...
22/05/2026

Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 7256/2567

Doordat de gedaagde berichten heeft geplaatst en foto’s van eiser heeft gepubliceerd op de applicatie Facebook, heeft dit bij personen die eiser kennen de indruk gewekt dat eiser een oplichter is, schulden maakt zonder deze terug te betalen en anderen bedriegt. Een dergelijke handeling vormt derhalve een beschuldiging jegens eiser tegenover derden, op een wijze die waarschijnlijk schade toebrengt aan de eer en goede naam van eiser, dan wel eiser blootgesteld aan minachting of haat.

Indien gedaagde van mening was dat eiser de intentie had de schuld aan gedaagde niet terug te betalen, had gedaagde zijn rechten langs wettelijke weg moeten uitoefenen door een gerechtelijke procedure tegen eiser aanhangig te maken teneinde betaling van de schuld af te dwingen. Gedaagde mocht niet overgaan tot het publiceren van lasterlijke berichten en foto’s van eiser.

De gedragingen van gedaagde kunnen niet worden aangemerkt als een te goeder trouw gegeven mening of verklaring die onder de uitzonderingsgrond van strafbaarheid valt overeenkomstig artikel 329 lid (1) en (3) van het Thaise Wetboek van Strafrecht.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

De uitspraak van het Thaise Hooggerechtshof nr. 5579/2567 luidt als volgt:De eiseres wist reeds geruime tijd dat L. buit...
21/05/2026

De uitspraak van het Thaise Hooggerechtshof nr. 5579/2567 luidt als volgt:

De eiseres wist reeds geruime tijd dat L. buitenechtelijke relaties onderhield met meerdere vrouwen, waaronder de gedaagde in deze zaak. De eiseres heeft echter geen gebruikgemaakt van haar recht om schadevergoeding wegens die gedragingen van de gedaagde te vorderen. Integendeel, zij heeft met L. twee overeenkomsten tot feitelijke scheiding gesloten, waarbij werd overeengekomen dat L. onderhoudsbijdragen aan eiseres zou betalen, alsmede dat eiseres onbeperkt gebruik mocht maken van een kredietkaart.

Het instellen van de onderhavige vordering tot schadevergoeding tegen gedaagde vloeide in wezen voort uit het feit dat L. de betaling van het onderhoud en het gebruik van de kredietkaart overeenkomstig de gemaakte afspraken had stopgezet. De eiseres had derhalve niet de werkelijke bedoeling om zich te beroepen op artikel 1523, tweede lid, van het Thaise Burgerlijk en Handels wetboek teneinde daadwerkelijk schadevergoeding van gedaagde te verkrijgen.

Voor het instellen van een dergelijke vordering bestaat geen wettelijke grondslag. Bovendien moet dit worden aangemerkt als een uitoefening van procesrecht te kwader trouw jegens gedaagde in de zin van artikel 5 van het Thaise Burgerlijk en Handels wetboek. De eiseres ontbeert derhalve proces bevoegdheid.

De kwestie van process bevoegdheid betreft een rechtsvraag van openbare orde. Ook indien de gedaagde daarop geen verweer heeft gevoerd, is het Hooggerechtshof bevoegd deze kwestie ambtshalve in cassatie aan de orde te stellen overeenkomstig de artikelen 142 (5), 246 en 252 van het Thaise Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in samenhang gelezen met artikel 182/1, tweede lid, van de Wet op de Jeugd- en Familie rechtbanken en de Procesvoering in Jeugd- en Familiezaken B.E. 2553 (2010).

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

ที่อยู่

Soi Boonshampan
Pattaya
20150

เวลาทำการ

จันทร์ 09:00 - 17:00
อังคาร 09:00 - 17:00
พุธ 09:00 - 17:00
พฤหัสบดี 09:00 - 17:00
ศุกร์ 09:00 - 17:00

เว็บไซต์

แจ้งเตือน

รับทราบข่าวสารและโปรโมชั่นของ Chartdee & Banning Lawfirmผ่านทางอีเมล์ของคุณ เราจะเก็บข้อมูลของคุณเป็นความลับ คุณสามารถกดยกเลิกการติดตามได้ตลอดเวลา

ติดต่อ ธุรกิจของเรา

ส่งข้อความของคุณถึง Chartdee & Banning Lawfirm:

แนะนำ

แชร์