08/05/2026
Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 9941/2553
Gelet op de omstandigheden van het geval hadden eiser, S. en N. allen de bedoeling gelden te verwerven teneinde deze te investeren in een handelsactiviteit. Nu eiser heeft erkend dat verweerder als geldverstrekker optrad, moest verweerder, als uitlener van gelden, bij het later intreden van wanprestatie — ongeacht de oorzaak daarvan — begrijpen dat het door S. uitschrijven van een cheque op een reeds gesloten bankrekening, alsmede het feit dat de handtekening niet overeenkwam met het specimen dat bij de bank was gedeponeerd, ertoe leidde dat eiser de cheque niet kon innen. Dit had tot gevolg dat verweerder geen terugbetaling van de lening van eiser ontving.
Een persoon in de positie van verweerder mocht derhalve te goeder trouw aannemen dat eiser, die de leningsovereenkomst had ondertekend, betrokken was bij of wetenschap had van het door S. uitschrijven van de betreffende cheque ter voldoening van de schuld aan verweerder, ongeacht of eiser daadwerkelijk aanwezig was of kennis droeg op het moment waarop S. de cheque uitschreef.
Nu S. degene was die de lening tussen eiser en verweerder had bemiddeld ten behoeve van N., de zoon van eiser, teneinde gelden te verkrijgen voor een gezamenlijke handel investering met S., en aangezien de cheque was uitgeschreven voor exact hetzelfde bedrag als de door eiser geleende som en gedateerd was op dezelfde datum waarop eiser de lening aan verweerder diende terug te betalen, moet worden aangenomen dat de betreffende cheque door S. ten gunste van verweerder werd uitgeschreven als zekerheid voor de door eiser aangegane lening, teneinde de van verweerder verkregen gelden aan N. over te dragen voor gezamenlijke investeringen met S.
Toen de bank betaling van de cheque weigerde en verweerder daardoor de uitgeleende gelden niet terug ontving, was het normaal en begrijpelijk dat verweerder aannam dat eiser betrokken was bij of kennis had van het uitschrijven van die cheque door S.
Derhalve heeft verweerder, door een strafrechtelijke procedure tegen eiser en S. aanhangig te maken en hen gezamenlijk van oplichting te beschuldigen, gehandeld vanuit de te goeder trouw bestaande overtuiging dat eiser en S. gezamenlijk verweerder hadden misleid om hem een bedrag van 1.100.000 baht afhandig te maken zonder dit overeenkomstig de gemaakte afspraken terug te betalen, waarbij verweerder meende dat hij het wettelijk recht had om een strafprocedure in te stellen.
Het handelen van verweerder ontbeerde derhalve het opzet dat vereist is voor het misdrijf van het doen van een valse aangifte of het instellen van een valse strafvervolging. Nu verweerder zich niet schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van valse aangifte, levert het afleggen van verklaringen overeenkomstig die aangifte evenmin meineed op.
* *
* .*
* * * * * * * *
* *