Chartdee & Banning Lawfirm

Chartdee & Banning Lawfirm Legal services and Notary Public. Criminal law, Commercial law, Litigation law, Family law, agreements, Last will. By Dr.Pornthip Chartdee PhD. LL.D.

Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 7256/2567Doordat de gedaagde berichten heeft geplaatst en foto’s van eiser heeft gepu...
22/05/2026

Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 7256/2567

Doordat de gedaagde berichten heeft geplaatst en foto’s van eiser heeft gepubliceerd op de applicatie Facebook, heeft dit bij personen die eiser kennen de indruk gewekt dat eiser een oplichter is, schulden maakt zonder deze terug te betalen en anderen bedriegt. Een dergelijke handeling vormt derhalve een beschuldiging jegens eiser tegenover derden, op een wijze die waarschijnlijk schade toebrengt aan de eer en goede naam van eiser, dan wel eiser blootgesteld aan minachting of haat.

Indien gedaagde van mening was dat eiser de intentie had de schuld aan gedaagde niet terug te betalen, had gedaagde zijn rechten langs wettelijke weg moeten uitoefenen door een gerechtelijke procedure tegen eiser aanhangig te maken teneinde betaling van de schuld af te dwingen. Gedaagde mocht niet overgaan tot het publiceren van lasterlijke berichten en foto’s van eiser.

De gedragingen van gedaagde kunnen niet worden aangemerkt als een te goeder trouw gegeven mening of verklaring die onder de uitzonderingsgrond van strafbaarheid valt overeenkomstig artikel 329 lid (1) en (3) van het Thaise Wetboek van Strafrecht.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

De uitspraak van het Thaise Hooggerechtshof nr. 5579/2567 luidt als volgt:De eiseres wist reeds geruime tijd dat L. buit...
21/05/2026

De uitspraak van het Thaise Hooggerechtshof nr. 5579/2567 luidt als volgt:

De eiseres wist reeds geruime tijd dat L. buitenechtelijke relaties onderhield met meerdere vrouwen, waaronder de gedaagde in deze zaak. De eiseres heeft echter geen gebruikgemaakt van haar recht om schadevergoeding wegens die gedragingen van de gedaagde te vorderen. Integendeel, zij heeft met L. twee overeenkomsten tot feitelijke scheiding gesloten, waarbij werd overeengekomen dat L. onderhoudsbijdragen aan eiseres zou betalen, alsmede dat eiseres onbeperkt gebruik mocht maken van een kredietkaart.

Het instellen van de onderhavige vordering tot schadevergoeding tegen gedaagde vloeide in wezen voort uit het feit dat L. de betaling van het onderhoud en het gebruik van de kredietkaart overeenkomstig de gemaakte afspraken had stopgezet. De eiseres had derhalve niet de werkelijke bedoeling om zich te beroepen op artikel 1523, tweede lid, van het Thaise Burgerlijk en Handels wetboek teneinde daadwerkelijk schadevergoeding van gedaagde te verkrijgen.

Voor het instellen van een dergelijke vordering bestaat geen wettelijke grondslag. Bovendien moet dit worden aangemerkt als een uitoefening van procesrecht te kwader trouw jegens gedaagde in de zin van artikel 5 van het Thaise Burgerlijk en Handels wetboek. De eiseres ontbeert derhalve proces bevoegdheid.

De kwestie van process bevoegdheid betreft een rechtsvraag van openbare orde. Ook indien de gedaagde daarop geen verweer heeft gevoerd, is het Hooggerechtshof bevoegd deze kwestie ambtshalve in cassatie aan de orde te stellen overeenkomstig de artikelen 142 (5), 246 en 252 van het Thaise Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in samenhang gelezen met artikel 182/1, tweede lid, van de Wet op de Jeugd- en Familie rechtbanken en de Procesvoering in Jeugd- en Familiezaken B.E. 2553 (2010).

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Het arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 3674/2568 Bepaalt dat het misdrijf van verduistering niet uitsluitend een persoon...
20/05/2026

Het arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 3674/2568

Bepaalt dat het misdrijf van verduistering niet uitsluitend een persoonlijk delict is van degene die het goed alleen onder zich heeft. Ook anderen kunnen samen met de houder van het goed het misdrijf van verduistering plegen, indien zij bewust en gezamenlijk met degene aan wie het goed is toevertrouwd meewerken aan de verduistering.

Hoewel de verdachte aanvankelijk geen betrokkenheid had bij Ch., die de pick-up van het geding als zekerheid voor een lening onder zich had gehouden, heeft de verdachte — nadat hij wist dat de pick-up eigendom was van de benadeelde partij en door deze aan Ch. als zekerheid voor de lening was afgegeven — de pick-up verpand met toestemming van Ch. Nadat de verdachte de pick-up had verpand, heeft hij het geld overgemaakt naar de bankrekening van S., de schoonzoon van Ch.

Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de verdachte mede het bezit over de pick-up had. Toen vervolgens Ch. en de verdachte de pick-up niet meer konden terughalen, bleek daaruit dat zij gezamenlijk de pick-up wederrechtelijk hadden toegeëigend door deze te verpanden teneinde zichzelf of een ander een wederrechtelijk voordeel te verschaffen. Dit brengt mee dat zowel de verdachte als Ch. met frauduleus opzet hebben gehandeld.
De verdachte moet derhalve worden aangemerkt als medeplegen van verduistering samen met Ch. en niet als iemand die een goed verborgen hield, vervreemdde of gemaakte terwijl hij wist dat dit goed afkomstig was uit verduistering, hetgeen het misdrijf van heling zou opleveren.

Nu de gedraging van de verdachte kwalificeert als medeplegen van verduistering, en de benadeelde partij reeds op 19 januari 2564 kennis had van zowel het strafbare feit als de identiteit van de verdachte als medeplegen, maar eerst op 22 augustus 2564 aangifte heeft gedaan, is de termijn van drie maanden na kennisneming van het feit en de dader overschreden.

De strafvordering is derhalve verjaard overeenkomstig artikel 96 van het Thaise Wetboek van Strafrecht, zodat het recht van de eiser tot het instellen van strafvervolging is vervallen krachtens artikel 39 (6) van het Thaise Wetboek van Strafvordering.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Het arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 7965/2568 bepaalt dat de reconventionele vorderingen onder punten 5.2.1 en 5.2.2 ...
20/05/2026

Het arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 7965/2568 bepaalt dat de reconventionele vorderingen onder punten 5.2.1 en 5.2.2 voorwaardelijke reconventionele vorderingen zijn, aangezien voor de beoordeling daarvan eerst geschillen omtrent rechten en verplichtingen van derden moeten worden onderzocht.
De bepaling in artikel 13 van de aannemingsovereenkomst, inhoudende dat:

“de aannemer aansprakelijk is voor alle ongevallen, gevaren of schade voortvloeiende uit de werkzaamheden van de aannemer zelf”,

vormt slechts een contractuele bevestiging van het beginsel neergelegd in artikel 428 van het Thaise Burgerlijk en Handelswetboek, dat bepaalt dat:

“de opdrachtgever van werk niet aansprakelijk is voor schade die door de aannemer aan derden wordt veroorzaakt tijdens de uitvoering van het opgedragen werk, tenzij de opdrachtgever zelf schuld treft met betrekking tot de opgedragen werkzaamheden, de gegeven instructies of de selectie van de aannemer.”

De aansprakelijkheid van de opdrachtgever op grond van artikel 428 betreft een aansprakelijkheid uit eigen onrechtmatig handelen en niet een kwalitatieve of plaatsvervangende aansprakelijkheid die aanleiding geeft tot regres op de daadwerkelijke veroorzaker van de schade.
Hieruit volgt niet dat de opdrachtgever eerst jegens derden aansprakelijk zou zijn en vervolgens regres zou kunnen nemen op de aannemer.

Derhalve houden de reconventionele vorderingen onder punten 5.2.1 en 5.2.2 onvoldoende verband met de oorspronkelijke vordering om gezamenlijk te worden behandeld en beslist overeenkomstig artikel 177 lid 3 en artikel 179 slotzin van het Thaise Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van het Thaise Hooggerechtshof nr. 826/2564In strafzaak zwarte nummer A.3760/2559 van de Arrondissementsrechtbank...
15/05/2026

Arrest van het Thaise Hooggerechtshof nr. 826/2564

In strafzaak zwarte nummer A.3760/2559 van de Arrondissementsrechtbank Samut Prakan heeft de verdachte zich beroepen op de inhoud van de dagvaarding in civiele zaak rode nummer P.2283/2559 van de Provinciale Rechtbank Samut Prakan, waarin op pagina 18, regel 11 van bovenaf, is vermeld dat:

“...de negen gedaagden gedragingen hebben vertoond die wijzen op oneerlijkheid, bedrog en misleiding van buitenlanders...”

De verdachte heeft deze passage als grondslag aangevoerd om de eiser aansprakelijk te stellen wegens smaad, gezamenlijk met vennootschappen J. en P.

Het feit dat de verdachte de eiser als gedaagde in een strafzaak heeft gedagvaard, wijst derhalve erop dat de verdachte het opzet had om de eiser overlast en schade te berokkenen doordat deze als verdachte in een strafzaak moest optreden. Bovendien blijkt bij beoordeling van de tekst waarvan de verdachte stelt dat deze smadelijk jegens hem was, dat het slechts een passage betreft die in de dagvaarding was opgenomen teneinde aan te tonen dat er gegronde redenen bestonden om een rechtshandeling te vernietigen, hetgeen één van de vorderingen vormde in civiele zaak rode nummer P.2283/2559 van de Provinciale Rechtbank Samut Prakan.
Derhalve moet worden aangenomen dat het gaat om verklaringen of mededelingen van een proces partij of diens advocaat gedaan in het kader van een gerechtelijke procedure ten behoeve van de eigen zaak overeenkomstig artikel 331 van het Thaise Wetboek van Strafrecht, hetgeen geen strafbaar feit van smaad oplevert.

De verdachte, die beroepsmatig jurist is, behoorde de betreffende feiten en rechtsregels goed te kennen, namelijk dat het handelen van de eiser geen grondslag vormde voor een strafbaar feit van smaad, doch heeft desalniettemin de eiser gedagvaard als verdachte in strafzaak rode nummer A.3760/2559 van de Arrondissementsrechtbank Samut Prakan, hetgeen neerkomt op de uitoefening van een recht uitsluitend met het doel een ander schade toe te brengen.

Het feit dat de Provinciale Rechtbank Samut Prakan het bevel tot aanvaarding van de dagvaarding ten aanzien van gedaagden 4 tot en met 9 heeft herroepen en heeft beslist de zaak tegen gedaagden 4 tot en met 9 aanhangig te maken bij de bevoegde rechtbank binnen het territoriale rechtsgebied, vormt geen omstandigheid waarop de verdachte zich kan beroepen teneinde de eiser te dagvaarden.

Het handelen van de verdachte vormt derhalve een uitoefening van recht te kwader trouw en levert een onrechtmatige daad jegens de eiser op.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Het arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 3911/2568 Oordeelt dat de verweerder gebruik heeft gemaakt van, dan wel zich heef...
12/05/2026

Het arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 3911/2568

Oordeelt dat de verweerder gebruik heeft gemaakt van, dan wel zich heeft beroepen op, vervalste documenten van rechts betekenis, namelijk een overeenkomst van geldlening en een vaststellingsovereenkomst, teneinde een civiele procedure tegen beide eisers aanhangig te maken. De verweerder had daarbij de bedoeling de eisers te bewegen tot betaling aan hem op grond van deze vervalste overeenkomsten.
Vervolgens heeft de verweerder tijdens de gerechtelijke procedure een valse verklaring afgelegd en valse bewijsmiddelen ingebracht of overgelegd. Deze handelingen werden door het Hof aangemerkt als voortgezette gedragingen die uitsluitend dienden ter verwezenlijking van hetzelfde oogmerk van de verweerder, namelijk het verkrijgen van betaling van de eisers krachtens een rechterlijke uitspraak gebaseerd op de vervalste documenten.

De verschillende strafbare feiten zijn derhalve gepleegd vanuit één en dezelfde opzet en niet op grond van afzonderlijke, van elkaar gescheiden wilsbesluiten. Het handelen van de verweerder vormt daarom één gedraging die meerdere strafbepalingen schendt (“eendaadse samenloop”).

Overeenkomstig artikel 90 van het Thaise Wetboek van Strafrecht dient in een dergelijk geval uitsluitend straf te worden opgelegd voor het feit waarop de zwaarste straf is gesteld, te weten het gebruik maken van vervalste documenten van rechts betekenis.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. Supreme Court Judgment No. 748/2568Voor het kunnen instellen van een vordering tot sc...
11/05/2026

Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. Supreme Court Judgment No. 748/2568

Voor het kunnen instellen van een vordering tot schadevergoeding door een echtgenote tegen een andere vrouw die een buitenechtelijke relatie onderhoudt met haar echtgenoot op grond van artikel 1523, tweede lid, van het Thaise Burgerlijk en Handelswetboek, is vereist dat die vrouw zich openlijk heeft gepresenteerd als iemand die een verhouding van overspelige aard met de echtgenoot onderhoudt. Tevens dient vast te staan dat die vrouw wist dat de man reeds gehuwd was, maar desondanks opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de rechten van de echtgenote. Slechts dan kan zij aansprakelijk worden gehouden tot betaling van schadevergoeding.
Hoewel gedaagde sub 2 verstek had laten gaan door geen conclusie van antwoord in te dienen, rustte op eiseres desalniettemin de bewijslast om overeenkomstig de dagvaarding voldoende bewijs aan te dragen conform Thaise Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 198 bis juncto Wet op de Jeugd- en Familie rechtbanken en Procesrecht Jeugd- en Familiezaken B.E. 2553 artikel 6, inhoudende dat gedaagde sub 2 zich openlijk had gedragen op een wijze waaruit bleek dat zij een overspelige relatie met gedaagde sub 1 onderhield, terwijl zij wist dat gedaagde sub 1 de echtgenoot van eiseres was.
De beschuldiging dat gedaagde sub 2 zich onbehoorlijk heeft gedragen met de echtgenoot van eiseres betreft een ernstige aantijging die reputatieschade en maatschappelijke schade voor beide families kan veroorzaken. Om die reden dient de rechter het door eiseres aangevoerde bewijs met grotere voorzichtigheid te beoordelen dan gebruikelijk is in gewone civiele procedures.
Hoewel uit de feiten genoegzaam bleek dat gedaagde sub 2 zich openlijk had gedragen alsof zij een overspelige relatie met gedaagde sub 1 onderhield, bleek tevens dat eiseres en gedaagde sub 1 in verschillende provincies woonden en bovendien eerder van elkaar waren gescheiden geweest. Onder die omstandigheden achtte de Hoge Raad aannemelijk dat gedaagde sub 2 niet wist dat gedaagde sub 1 nog steeds gehuwd was. Bij gebreke van wetenschap omtrent het huwelijk kon niet worden aangenomen dat gedaagde sub 2 opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de rechten van eiseres als echtgenote van gedaagde sub 1. Gedaagde sub 2 was derhalve niet gehouden schadevergoeding te betalen op grond van artikel 1523, tweede lid.
Nu het Hof van Beroep voor Gespecialiseerde Zaken het vonnis had gewijzigd in die zin dat de vordering tegen gedaagde sub 2 alsnog werd afgewezen, had dit rechtsgevolg dat het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg ten aanzien van gedaagde sub 2 volledig werd vernietigd. Het hof had daarom tevens opnieuw dienen te beslissen over de proceskosten in eerste aanleg voor zover betrekking hebbend op gedaagde sub 2. Door uitsluitend te bepalen dat de proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, heeft het hof in strijd met het recht gehandeld.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 9941/2553Gelet op de omstandigheden van het geval hadden eiser, S. en N. allen de bed...
08/05/2026

Arrest van de Thaise Hoge Raad nr. 9941/2553

Gelet op de omstandigheden van het geval hadden eiser, S. en N. allen de bedoeling gelden te verwerven teneinde deze te investeren in een handelsactiviteit. Nu eiser heeft erkend dat verweerder als geldverstrekker optrad, moest verweerder, als uitlener van gelden, bij het later intreden van wanprestatie — ongeacht de oorzaak daarvan — begrijpen dat het door S. uitschrijven van een cheque op een reeds gesloten bankrekening, alsmede het feit dat de handtekening niet overeenkwam met het specimen dat bij de bank was gedeponeerd, ertoe leidde dat eiser de cheque niet kon innen. Dit had tot gevolg dat verweerder geen terugbetaling van de lening van eiser ontving.

Een persoon in de positie van verweerder mocht derhalve te goeder trouw aannemen dat eiser, die de leningsovereenkomst had ondertekend, betrokken was bij of wetenschap had van het door S. uitschrijven van de betreffende cheque ter voldoening van de schuld aan verweerder, ongeacht of eiser daadwerkelijk aanwezig was of kennis droeg op het moment waarop S. de cheque uitschreef.
Nu S. degene was die de lening tussen eiser en verweerder had bemiddeld ten behoeve van N., de zoon van eiser, teneinde gelden te verkrijgen voor een gezamenlijke handel investering met S., en aangezien de cheque was uitgeschreven voor exact hetzelfde bedrag als de door eiser geleende som en gedateerd was op dezelfde datum waarop eiser de lening aan verweerder diende terug te betalen, moet worden aangenomen dat de betreffende cheque door S. ten gunste van verweerder werd uitgeschreven als zekerheid voor de door eiser aangegane lening, teneinde de van verweerder verkregen gelden aan N. over te dragen voor gezamenlijke investeringen met S.
Toen de bank betaling van de cheque weigerde en verweerder daardoor de uitgeleende gelden niet terug ontving, was het normaal en begrijpelijk dat verweerder aannam dat eiser betrokken was bij of kennis had van het uitschrijven van die cheque door S.

Derhalve heeft verweerder, door een strafrechtelijke procedure tegen eiser en S. aanhangig te maken en hen gezamenlijk van oplichting te beschuldigen, gehandeld vanuit de te goeder trouw bestaande overtuiging dat eiser en S. gezamenlijk verweerder hadden misleid om hem een bedrag van 1.100.000 baht afhandig te maken zonder dit overeenkomstig de gemaakte afspraken terug te betalen, waarbij verweerder meende dat hij het wettelijk recht had om een strafprocedure in te stellen.

Het handelen van verweerder ontbeerde derhalve het opzet dat vereist is voor het misdrijf van het doen van een valse aangifte of het instellen van een valse strafvervolging. Nu verweerder zich niet schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van valse aangifte, levert het afleggen van verklaringen overeenkomstig die aangifte evenmin meineed op.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van het Thaise Hooggerechtshof nr. 2558/2567.Hoewel eiser juridisch handelingsbekwaam was, beschikte hij feitelij...
07/05/2026

Arrest van het Thaise Hooggerechtshof nr. 2558/2567.

Hoewel eiser juridisch handelingsbekwaam was, beschikte hij feitelijk niet over het vermogen om voor zichzelf of zijn belangen zorg te dragen, hetgeen zich mogelijk slechts gedurende bepaalde perioden voordeed. Een dergelijke toestand kan voortvloeien uit een psychische stoornis of uit een lichamelijke aandoening die invloed heeft op de geestestoestand.

Het feit dat eiser gedurende bepaalde perioden nog in staat was om dagelijkse handelingen lichamelijk te verrichten, betekent niet dat hij geestelijk gezond was. Eiser leed immers nog steeds aan een psychiatrische aandoening die gepaard ging met afwijkingen in denken, emoties en gedrag in zodanige mate dat hij niet meer in de werkelijkheid leefde. Indien men uitsluitend naar zijn uiterlijke verschijningsvorm keek, was niet waarneembaar dat eiser daadwerkelijk een psychiatrisch patiënt was. Hij was niet in staat om beslissingen op redelijke en rationele wijze te nemen zoals een normaal persoon dat zou doen. Voorts komt het bij psychiatrische patiënten meermalen voor dat zij suïcidaal handelen, omdat zij het lijden veroorzaakt door hun aandoening niet langer kunnen verdragen en geen verdere levenswil meer hebben, mede als gevolg van een verstoring van neurotransmitters in de hersenen.

In het geval van eiser achtte de behandelend arts het noodzakelijk antidepressiva voor te schrijven naast angst remmende medicatie en slaapmiddelen teneinde zijn emotionele toestand beter in evenwicht te brengen. Doordat eiser gedurende langere tijd geen behandeling had ondergaan en zijn medicatie niet consequent had ingenomen, werd aannemelijk geacht dat eiser ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling, namelijk de registratie van de overdracht van de drie litigieuze percelen grond met opstallen aan gedaagde, nog steeds leed aan ernstige angststoornissen, verwarde gedachten en irreële denkbeelden. Zijn innerlijke geestestoestand verkeerde nog steeds in een toestand van zwaar psychisch lijden en vervreemding van de werkelijkheid, waardoor de door hem geuite wil gebrekkig en afwijkend was.
Eiser beschikte derhalve feitelijk niet over het vermogen om voor zichzelf of zijn belangen zorg te dragen als gevolg van zijn psychische stoornis en diende daarom te worden aangemerkt als geestelijk onbekwaam. Op grond van artikel 175 lid 4 van het Thaise Burgerlijk en Handelswetboek kan een geestelijk onbekwaam persoon een vernietigbare rechtshandeling als bedoeld in artikel 30 vernietigen zodra diens geestestoestand niet langer gestoord is.

De toestand van eiser verbeterde vervolgens en tegen eind december 2018 beschikte hij weer over een normaal bewustzijn en beoordelingsvermogen, zodat hij zijn leven opnieuw op normale wijze kon hervatten. Vervolgens heeft eiser omstreeks begin 2019 telefonisch van gedaagde gevorderd dat de eigendom van de drie litigieuze percelen grond met opstallen opnieuw aan hem zou worden overgedragen. Deze gedraging werd aangemerkt als een rechtsgeldige vernietiging van de vernietigbare rechtshandeling.
Nu tussen het moment waarop eiser de rechtshandeling had kunnen bekrachtigen en het moment van vernietiging niet meer dan één jaar was verstreken overeenkomstig artikel 181 van het Thaise Burgerlijk en Handelswetboek, had de rechtsgeldige vernietiging tot gevolg dat de rechtshandeling waarbij eiser de litigieuze percelen grond met opstallen om niet aan gedaagde had overgedragen, geacht werd van meet af aan nietig te zijn overeenkomstig artikel 176 lid 1 van het Thaise Burgerlijk en Handelswetboek.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van de Hoge Raad nr. 17591–17594/2557De eisers sub 2 tot en met 4 en sub 6 hebben een vordering ingesteld strekke...
06/05/2026

Arrest van de Hoge Raad nr. 17591–17594/2557

De eisers sub 2 tot en met 4 en sub 6 hebben een vordering ingesteld strekkende tot vergoeding van schade wegens kennelijk onredelijk ontslag. De gedaagde heeft verweer gevoerd stellende dat zij als gevolg van economische problemen genoodzaakt was het aantal werknemers te reduceren teneinde kosten te besparen. In dat kader heeft de gedaagde zeven werknemers, waaronder eisers sub 2 tot en met 4 en sub 6, ontslagen, onder verwijzing naar hun ondermaatse prestaties over de voorafgaande drie jaren, frequent verzuim (afwezigheid, ziekte- en verlofdagen), plichtsverzuim en eerdere disciplinaire maatregelen.
De Arbeidsrechtbank Regio 1 heeft als geschilpunt vastgesteld of het ontslag van eisers sub 2 tot en met 4 en sub 6 kennelijk onredelijk was. Na beoordeling van de feiten heeft de rechtbank geoordeeld dat het gebruikmaken van verlof rechten door eisers geen schade voor gedaagde heeft veroorzaakt en dat de werkelijke reden voor het ontslag was gelegen in de wens van gedaagde om het personeelsbestand te reduceren teneinde de productiekosten te verlagen. Het in aanmerking nemen van de arbeids resultaten van eisers om hen selectief voor ontslag aan te wijzen, kwalificeert als discriminatoire behandeling en leidt tot de conclusie dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Hoewel de Arbeidsrechtbank haar motivering beknopt heeft weergegeven, heeft zij de relevante feiten en rechtsvragen voldoende behandeld. Het vonnis is derhalve in overeenstemming met artikel 51, eerste lid, van de Wet op de oprichting van arbeidsrechtbanken en de arbeidsproces voering B.E. 2522 (1979).
Ten aanzien van de vraag of sprake is van kennelijk onredelijk ontslag in de zin van artikel 49 van voornoemde wet, dient te worden beoordeeld of er een voldoende gewichtige en gerechtvaardigde reden voor het ontslag bestaat. Gedaagde heeft aangevoerd dat de afname van bestellingen vanaf medio 2551 (2008) heeft geleid tot verliezen en dat ontslag noodzakelijk was voor het voortbestaan van de onderneming. Tussen de daling van de bestellingen en het ontslag van eisers sub 2 tot en met 4 en sub 6 lag echter een periode van slechts circa zes maanden. In die periode is niet gebleken dat gedaagde andere maatregelen heeft getroffen, zoals het verbeteren van de bedrijfsvoering, kostenreductie op andere vlakken of herplaatsing van eisers in andere functies.
Het feit dat gedaagde onmiddellijk tot ontslag is overgegaan zonder eerst alternatieve maatregelen te treffen, uitsluitend ten behoeve van haar eigen belang, brengt mee dat geen sprake is van een voldoende gewichtige en gerechtvaardigde reden voor ontslag. Derhalve moet het ontslag van eisers sub 2 tot en met 4 en sub 6 worden aangemerkt als kennelijk onredelijk.

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

Arrest van de Hoge Raad nr. 2212/2536 (Thailand)Feiten:De gedaagde (in de oorspronkelijke procedure optredend als eiser)...
05/05/2026

Arrest van de Hoge Raad nr. 2212/2536 (Thailand)

Feiten:
De gedaagde (in de oorspronkelijke procedure optredend als eiser) heeft een vordering ingesteld strekkende tot ontslag van de eiser uit diens hoedanigheid van voogd over J., en tot benoeming van zichzelf als voogd in diens plaats. Ter onderbouwing stelde de gedaagde dat de eiser zich met gokken bezighoudt en derhalve ongeschikt is om als voogd op te treden. In die procedure heeft de gedaagde als getuige verklaard dat de woning van de eiser als gokhuis werd gebruikt.

Rechtsvraag:
Vormt deze verklaring een strafbaar feit van smaad/laster?

Oordeel van de Hoge Raad:
Hoewel de rechter in de oorspronkelijke procedure niet uitdrukkelijk de geschiktheid van de eiser als voogd als afzonderlijk geschilpunt had vastgesteld, diende de rechter noodzakelijkerwijs te beoordelen welke partij het meest geschikt was om als voogd van J. te fungeren.
De verklaring van de gedaagde, inhoudende dat de woning van de eiser als gokhuis werd gebruikt, werd afgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat hijzelf geschikt is om als voogd op te treden, terwijl de eiser ongeschikt is.

Een dergelijke verklaring wordt aangemerkt als een uitlating gedaan in het kader van een gerechtelijke procedure, ter behartiging van het eigen proces belang. Derhalve valt deze onder de bescherming van artikel 331 van het Thaise Wetboek van Strafrecht en levert zij geen strafbare smaad op

* *
* .*
* * * * * * * *
* *

ที่อยู่

Soi Boonshampan
Pattaya
20150

เวลาทำการ

จันทร์ 09:00 - 17:00
อังคาร 09:00 - 17:00
พุธ 09:00 - 17:00
พฤหัสบดี 09:00 - 17:00
ศุกร์ 09:00 - 17:00

เว็บไซต์

แจ้งเตือน

รับทราบข่าวสารและโปรโมชั่นของ Chartdee & Banning Lawfirmผ่านทางอีเมล์ของคุณ เราจะเก็บข้อมูลของคุณเป็นความลับ คุณสามารถกดยกเลิกการติดตามได้ตลอดเวลา

ติดต่อ ธุรกิจของเรา

ส่งข้อความของคุณถึง Chartdee & Banning Lawfirm:

แนะนำ

แชร์