Heine & Van Oosten

Heine & Van Oosten Deskundig, betrokken, praktisch en betrouwbaar. De kernwoorden voor Heine & Van Oosten , uw financi?

Voor jouw persoonlijke advisering, fiscale dienstverlening en administratieve werkzaamheden, uw financiële partner op Voorne Putten.

Geen zakelijke kilometers en bijtelling autoAls een werknemer na einde dienstbetrekking nog in een auto van de zaak rijd...
05/06/2026

Geen zakelijke kilometers en bijtelling auto

Als een werknemer na einde dienstbetrekking nog in een auto van de zaak rijdt, is geen sprake meer van zakelijk gebruik. Dit is ook het geval bij arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking. In deze handreiking van de belastingdienst leest u wat in dit soort situaties de gevolgen zijn voor de bijtelling privégebruik auto.

In de volgende situaties gebruikt een werknemer de auto van de zaak niet zakelijk:

bij einde dienstbetrekking
bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid
bij permanente arbeidsongeschiktheid
bij loopbaanonderbreking
Heeft de werknemer in deze situaties de auto van de zaak ter beschikking en rijdt hij meer dan 500 kilometer privé? Dan moet u de waarde van het privégebruik bij het loon tellen. U doet dit op basis van de bijtellingspercentages (bijtellingsregeling). Dit geldt ook als de werknemer de auto alleen nog voor privédoeleinden gebruikt.

Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De bijtellingsregeling blijft ook gelden als de werknemer door ziekte niet in de auto kan rijden. De werknemer heeft de auto dan nog steeds tot zijn beschikking. Het bedrag van de bijtelling is loon voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

Loon uit vroegere dienstbetrekking
Mag de werknemer een auto privé blijven gebruiken na einde dienstbetrekking of bij permanente arbeidsongeschiktheid? Dan is het bedrag van de bijtelling loon uit vroegere dienstbetrekking. Het bedrag van de bijtelling is loon voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. U bent geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd.

Excessief privégebruik
Als de werkelijke waarde van het privégebruik duidelijk meer is dan de bijtelling op basis van het algemene bijtellingspercentage, is sprake van excessief privégebruik van de auto. U moet dan uitgaan van de hogere waarde van het privégebruik.

Geen eindheffingsloon
De bijtelling is altijd loon van de werknemer. U kunt dit loon dus niet aanwijzen als eindheffingsloon. Er is één uitzondering: het deel van de bijtelling voor buitengewone beveiligingsmaatregelen kunt u wel aanwijzen als eindheffingsloon.

Auto vóór aanvang dienstbetrekking
Krijgt een werknemer een auto ter beschikking voordat hij in dienst treedt? Dan is dit een voordeel dat voortvloeit uit de (toekomstige) dienstbetrekking. Het is loon in natura in de vorm van een bijtelling privégebruik auto. U verwerkt de bijtelling in de aangifte loonheffingen over het tijdvak waarin de auto ter beschikking is gesteld. U betaalt dan geen loon in geld maar u moet wel loonheffingen afdragen. Het bedrag dat u moet inhouden, kunt u verhalen op de werknemer. U kunt er ook voor kiezen om het bedrag te bruteren.

Privégebruik auto en weinig of geen loon in geld
Als u de werknemer weinig of geen loon in geld betaalt, moet u over de bijtelling privégebruik auto toch alle loonheffingen betalen. U kunt kiezen of u dit wel of niet verhaalt op de werknemer.

Verhalen op de werknemer
U mag de loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) en de in te houden bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) verhalen op de werknemer. Dit geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw. Als de werknemer nog loon ontvangt, kunt u dit doen via verrekening in het eerstvolgende loontijdvak.

Niet verhalen op de werknemer
Als u de LB/PVV en bijdrage Zvw niet verhaalt op de werknemer, kunnen zich 2 situaties voordoen:

U verhaalt dit bedrag in een later loontijdvak. U geeft de werknemer dan een lening voor dit bedrag tot het moment waarop u de bedragen alsnog verhaalt. Als sprake is van rentevoordeel bij deze lening, dan is dit loon voor de werknemer. U kunt dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
U verhaalt dit bedrag niet op de werknemer. Het bedrag is nettoloon van uw werknemer. Dit nettoloon moet u omrekenen naar een brutoloon. U kunt dit nettoloon ook aanwijzen als eindheffingsloon.

Niet-bezwaarmakers recht op teruggave van box 3-heffing over de jaren 2017-2020?Niet-bezwaarmakers hebben geen recht op ...
19/05/2026

Niet-bezwaarmakers recht op teruggave van box 3-heffing over de jaren 2017-2020?

Niet-bezwaarmakers hebben geen recht op teruggave van box 3-heffing over de jaren 2017-2020 naar aanleiding van het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Zo luidt het advies van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad, die hierover uitspraak zal gaan doen. Wat is er aan de hand?

Status van een advies van de advocaat-generaal
Het gaat om een onafhankelijke analyse van en oordeel over een zaak waarover de Hoge Raad moet beslissen. Daarbij gaat het om voorlichting en advisering van de Hoge Raad. In zo’n advies wordt een zaak vaak uitvoeriger en vanuit een breder perspectief besproken dan in de uitspraak van de Hoge Raad. Daarmee dient de conclusie niet alleen de kwaliteit van de rechtspraak in de concrete zaak, maar ook de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. Zo’n advies wordt meestal gegeven door een van de advocaten-generaal in het parket, namens de procureur-generaal. De advocaten-generaal zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun adviezen.

Aanleiding voor de zaken
De Hoge Raad heeft in het Kerstarrest geoordeeld dat het sinds 2017 geldende stelsel van box 3-heffing in strijd is met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Belastingplichtigen die tijdig bezwaar hadden gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2017-2020, kwamen door dit arrest in aanmerking voor vermindering van die aanslagen, indien de box 3-heffing in de aanslag was berekend over een forfaitair rendement dat hoger is dan het werkelijke rendement.

Bij belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de aanslagen voor de jaren 2017-2020 (de niet-bezwaarmakers) staan de aanslagen onherroepelijk vast. Ook als een belastingaanslag onherroepelijk vaststaat, kan de inspecteur van de Belastingdienst echter de belastingaanslag uit eigen beweging (ambtshalve) verminderen. De inspecteur is daarbij gebonden aan het wettelijke kader voor ambtshalve vermindering. Hoofdregel is dat een belastingaanslag ambtshalve wordt verminderd als deze op een te hoog bedrag is vastgesteld. Een uitzondering geldt voor het geval dat ‘de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die pas tot stand is gekomen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan’ (hierna: de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering). Er is echter ook geregeld dat de minister van Financiën anders kan bepalen.

De minister van Financiën heeft voor de niet-bezwaarmakers met betrekking tot de box 3-heffing over de jaren 2017-2020 niet anders bepaald. Het kabinet heeft namelijk in september 2022 besloten dat de niet-bezwaarmakers niet in aanmerking komen voor vermindering van hun aanslagen.

Veel niet-bezwaarmakers hebben zich niet neergelegd bij dit kabinetsbesluit. Zij hebben met een beroep op het Kerstarrest de inspecteur toch verzocht om hun aanslagen over de jaren 2017-2020 ambtshalve te verminderen.

Massaalbezwaarplusprocedure
Omdat zoveel niet-bezwaarmakers hebben verzocht om ambtshalve vermindering van hun aanslagen, heeft de staatssecretaris van Financiën besloten deze verzoeken aan te wijzen voor de zogenoemde massaalbezwaarplusprocedure. Daarbij is als rechtsvraag geformuleerd, kort gezegd, of de niet-bezwaarmakers een beroep kunnen doen op het Kerstarrest. De toepassing van de massaalbezwaarplusprocedure houdt in dat een aantal zaken wordt geselecteerd om daarin de gemeenschappelijke rechtsvraag uit te procederen voor de rechter, en dat als de Hoge Raad uiteindelijk heeft geoordeeld over de rechtsvraag, de Belastingdienst alle andere verzoeken afhandelt op basis van dat oordeel.

Waarom wordt geprocedeerd over de rechtsvraag ondanks een eerdere uitspraak van de Hoge Raad?
Volgens de Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën kunnen de niet-bezwaarmakers niet met een beroep op het Kerstarrest in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering van hun aanslagen, omdat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van toepassing is. Die opvatting is in een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022 juist geacht.

In de massaalbezwaarplusprocedure wordt desondanks opnieuw de vraag aan de orde gesteld of de niet-bezwaarmakers een beroep kunnen doen op het Kerstarrest. Dit heeft ermee te maken dat volgens diverse organisaties die opkomen voor de belangen van de niet-bezwaarmakers, niet alle relevante argumenten aan bod zijn gekomen in de eerdere uitspraak van de Hoge Raad.

Oordeel van de rechtbanken
De twee geselecteerde zaken die nu aan de orde zijn betreffen een uitspraak van de rechtbank Den Haag en een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. In beide zaken is de belanghebbende in het ongelijk gesteld. Kern van het oordeel van de rechtbanken is dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van toepassing is, waardoor de aanslagen niet hoeven te worden verminderd.

Cassatieklachten
In cassatie bij de Hoge Raad wordt geklaagd dat de rechtbanken de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering niet op de juiste wijze hebben uitgelegd en toegepast. Ook wordt betoogd dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering buiten toepassing moet blijven wegens strijd met hoger recht. Verder wordt geklaagd dat het beroep op diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur ten onrechte is afgewezen.

Advies Advocaat-Generaal (AG)
De AG is van mening dat de rechtbanken de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering op de juiste wijze hebben uitgelegd en toegepast. Er is geen aanleiding om terug te komen van de eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022.

Volgens de AG is het springende punt in deze procedures de vraag of de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaat. Die kwestie is in de eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022 niet expliciet aan bod gekomen. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat de nadelige gevolgen van een regeling voor een burger niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel dat de regelgever met die regeling wil bereiken. Volgens de AG is het kritieke punt vooral dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling voor ambtshalve vermindering, niet direct of indirect blijkt dat bij het voorzien in de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen zijn meegewogen. De AG meent evenwel dat er andere bronnen zijn – waaronder Kamerstukken uit 1952 – die voldoende aanknopingspunten bieden voor de belastingrechter om te kunnen beoordelen of de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel.

Uit die andere bronnen blijkt dat met de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering (i) budgettaire belangen, (ii) het belang van uitvoerbaarheid en (iii) het belang van rechtszekerheid worden nagestreefd. Dat zijn legitieme doelen in het algemeen belang. Volgens de AG kan niet geoordeeld worden dat de nadelige gevolgen van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering voor de belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot die doelen. Daarbij is van belang dat de belastingrechter de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt, terughoudend moet beoordelen, omdat de keuze voor de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering een politiek-bestuurlijke afweging betreft.

De AG is dan ook van oordeel dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering als zodanig verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. Ook de concrete toepassing van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering in de twee zaken is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De omstandigheid dat de box 3-heffing in strijd is met het EVRM, maakt dat volgens de AG niet anders, omdat die omstandigheid nog niet betekent dat een afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering onredelijk bezwarend is.

De AG is verder van opvatting dat het onthouden van een ambtshalve vermindering op grond van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering evenmin in strijd is met het EVRM.

Ook de andere ingediende cassatieklachten slagen volgens de AG niet.

De AG is daarom van oordeel dat de beroepen in cassatie ongegrond zijn. De oordelen van de rechtbanken kunnen in stand blijven.

Let op: Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak doet. Regelmatig wijkt de Hoge Raad af van een advies van de advocaat-generaal. Het is dus nog geen gelopen race.

Arbeidsongeschikte office manager vordert ontbinding arbeidscontractEen arbeidsongeschikte office-manager van een archit...
13/05/2026

Arbeidsongeschikte office manager vordert ontbinding arbeidscontract

Een arbeidsongeschikte office-manager van een architectenbureau vraagt om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Het bureau heeft volgens haar te weinig gedaan aan haar re-integratie. Ze vordert naast de wettelijke transitievergoeding ook een billijke vergoeding. Hoe oordeelt de rechter?

De bedrijfsarts
Het eerste knelpunt tussen partijen betreft de adviezen van de bedrijfsarts. Keer op keer is het advies van de bedrijfsarts geweest om de re-integratie tweewekelijks met elkaar te bespreken en te evalueren. De rechter stelt vast dat dit vrijwel nooit is gebeurd. Uit niets is gebleken dat sprake is geweest van evaluatie of concrete afspraken die bijvoorbeeld schriftelijk werden vastgelegd. Alleen bij de start van de re-integratie is inhoudelijk met elkaar gesproken. In het deskundigenoordeel van het UVW wordt eveneens gesignaleerd dat te weinig is gedaan met de adviezen van de bedrijfsarts. Ook ten aanzien van mediation heeft de werkgever onvoldoende doorgepakt. De bedrijfsarts had dit genoemd als mogelijkheid. Het is pas door de werkgever opgepakt na een negatief deskundigenoordeel. Tussen het eerste advies om mediation in te zetten en het opvolgen daarvan zit meer dan een half jaar. Het onvoldoende opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts is (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werkgever.

Afname van de werkzaamheden
Volgens de office-manager heeft een collega haar taken afgenomen dan wel overgenomen. De werkgever stelt echter dat de afname van het werk kwam door toenemende digitalisering. Voor de rechter staat vast dat de officemanager recht had op re-integratiewerkzaamheden in de uren dat zij op kantoor kwam. Ook al ging de telefoon niet vaak, de werkgever had haar andere passende werkzaamheden aan moeten bieden. Archiveren, opruimen, boodschappen bestellen, desnoods het kerstpakket samenstellen. Er is altijd iets te bedenken. Uit niets is gebleken dat de werkgever de gestelde gevolgen van de digitalisering met de office-manager heeft besproken en met haar in overleg is gegaan over een zinvolle invulling van de re-integratie. De werkgever heeft zich gedurende de gehele re-integratie verscholen achter de stellinginname van de afnemende werkzaamheden door digitalisering. De werkgever heeft geen initiatief genomen om de momenten van re-integratie meer te laten zijn dan slechts een aanwezigheid. De diverse waarschuwingen van de bedrijfsarts dat dit zou leiden tot stagnering dan wel verergering van de klachten, hebben de werkgever ook niet tot actie gedreven. De rechter oordeelt dat dit eveneens (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten is aan de zijde van de werkgever.

Conclusie
De kantonrechter concludeert dat de werkgever onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie. Dit wordt onderschreven door het oordeel van het UWV. De bedrijfsarts bevestigde ook dat instandhouding van de huidige situatie ziekmakend was voor de office-manager. Een situatie waarin een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte (ernstig) veronachtzaamt, wordt door de wetgever aangeduid als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Het ontbindingsverzoek van de office-manager wordt daarom toegewezen.

De rechter wijst de verzochte wettelijk transitievergoeding toe. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt tevens een billijke vergoeding toegekend.

Let op: Regelmatig zien we procedures waarin werknemers het verwijt krijgen te weinig aan hun re-integratie te doen. In dit geval wil de werknemer de arbeidsrelatie beëindigen omdat de werkgever te weinig heeft gedaan. De rechter ziet dat als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Let op: nieuwe bankrekeningnummers BelastingdienstPer 1 mei 2026 is de Belastingdienst veranderd van huisbank. De Belast...
06/05/2026

Let op: nieuwe bankrekeningnummers Belastingdienst

Per 1 mei 2026 is de Belastingdienst veranderd van huisbank. De Belastingdienst is overgestapt van ING naar Rabobank. Daardoor zijn de rekeningnummers van de Belastingdienst gewijzigd. Burgers en bedrijven moeten de belastingen op een ander rekeningnummer betalen en eventuele periodieke overboekingen aanpassen.

De wijziging van huisbank volgt uit een periodieke aanbesteding van het betalingsverkeer door het ministerie van Financiën. Betalingen na 1 mei 2026 op het oude rekeningnummer worden gedurende een overgangstermijn van 1 jaar nog wel juist verwerkt.

Nieuw rekeningnummer
Burgers en bedrijven vinden het nieuwe Rabobank-rekeningnummer waarop betaald moet worden in de betaalinformatie die zij van de Belastingdienst krijgen per brief of digitale post, zoals bij een belastingaanslag. Betalen kan op de manieren die burgers en bedrijven gewend zijn, bijvoorbeeld via internetbankieren.

Overboekingen
Bij een zelf ingestelde periodieke overboeking, bijvoorbeeld voor termijnen van een betalingsregeling, moeten burgers en bedrijven het rekeningnummer in de periodieke overboeking aanpassen.

Bij betalingen met iDEAL | Wero via de Belastingdienst-portalen of via automatische incasso hoeven burgers en bedrijven niets aan te passen.

Wie geld ontvangt van de Belastingdienst ziet dat dit vanaf 1 mei 2026 steeds vaker vanaf een Rabobank-rekeningnummer wordt overgemaakt.

Phishing
Bij wijzigingen in betaalgegevens is er een kans op phishing. Criminelen kunnen proberen misbruik te maken van het nieuwe rekeningnummer door valse berichten te versturen. De Belastingdienst vraagt nooit via e-mail, sms, berichten-apps of telefoon om betaalgegevens of om direct geld over te maken. Twijfelt u of een bericht of telefoontje echt van de Belastingdienst is? Volg dan het stappenplan op belastingdienst.nl/phishing en controleer altijd of het rekeningnummer in de lijst met rekeningnummers staat.

Tip: Op belastingdienst.nl/bank vindt u de meest actuele informatie over de overstap van bank en de nieuwe rekeningnummers.

Update laadpaal bij woning werknemerAls de werkgever een laadpaal bij de woning van de werknemer laat plaatsen of hiervo...
29/04/2026

Update laadpaal bij woning werknemer

Als de werkgever een laadpaal bij de woning van de werknemer laat plaatsen of hiervoor een vergoeding geeft, is het gevolg voor de loonheffingen afhankelijk van de situatie. Er zijn drie mogelijkheden. De handreiking van de Belastingdienst hierover is herzien.

De voordelen van een laadpaal bij de woning van de werknemer zijn verwerkt in de bijtelling, als de werkgever een auto ter beschikking heeft gesteld. Voor een werknemer met een eigen auto mag de werkgever maximaal € 0,23 per zakelijke kilometer onbelast vergoeden. Dit is inclusief de kosten voor de laadpaal.

Als de werkgever een laadpaal bij de woning van de werknemer laat plaatsen of als de werkgever hiervoor een vergoeding geeft, is het gevolg voor de loonheffingen afhankelijk van de situatie. Er kan sprake zijn van 3 situaties:

De werkgever heeft een auto ter beschikking gesteld aan de werknemer. De werknemer rijdt op kalenderjaarbasis meer dan 500 kilometer privé met de auto van de zaak.
De werknemer rijdt met een ter beschikking gestelde auto aantoonbaar niet meer dan 500 kilometer privé op kalenderjaarbasis.
De werknemer rijdt met de eigen auto.
1. Meer dan 500 kilometer privé
Voor een werknemer voor wie de bijtelling privégebruik auto geldt, is de vergoeding of verstrekking van een laadpaal in de waarde van het privégebruik verwerkt. De werkgever hoeft dus geen rekening te houden met een extra bedrag aan loon (in natura), ongeacht of een laadpaal is opgenomen in de catalogusprijs.

2. Niet meer dan 500 kilometer privé
Als de werknemer aantoonbaar niet meer dan 500 privékilometers per kalenderjaar rijdt, is geen sprake van bijtelling. Ook dan is de vergoeding of verstrekking van een laadpaal geen loon voor de werknemer. De laadpaal is bedoeld voor zakelijk gebruik.

Vergoeding elektriciteit voor auto van de zaak
Geeft de werkgever een vergoeding voor de werkelijke elektriciteitskosten die de werknemer maakt voor de auto van de zaak, dan is dit geen loon. Dit zijn intermediaire kosten en de werkgever kan deze daarom onbelast vergoeden. In plaats van het vergoeden van de werkelijke kosten, kan de werkgever er ook voor kiezen om een onbelaste zakelijke afspraak met de werknemer te maken.

Werkelijke kosten
De werkgever mag de integrale kostprijs van de elektriciteit onbelast vergoeden aan de werknemer. De integrale kostprijs wordt berekend door de variabele en vaste kosten van de werknemer te delen door het aantal door de werknemer verbruikte kWh. Tot die kosten kan ook een evenredig deel van de afschrijving van zonnepanelen behoren. Ook de kosten van een meter om het feitelijk verbruik vast te stellen, zijn onderdeel van de kostprijs.

Gebruikt de werknemer voor het opladen van de auto van de zaak een openbare laadpaal? Dan kan de werkgever de kosten die de werknemer betaalt, onbelast vergoeden. Als de werknemer een laadpaal op de werkplek gebruikt voor het opladen van de auto van de zaak, mag dit onbelast.

Zakelijke afspraak
Een werkgever kan ook een zakelijke afspraak met de werknemer maken over de doorlevering van energie. Als de werkgever een zakelijke afspraak maakt, is geen sprake van loon. Een afspraak is zakelijk als het tarief in combinatie met de duur van het contract marktconform is. Het gaat om de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraak. Bij een zakelijke afspraak kan de werknemer ook de door zonnepanelen opgewerkte energie meeleveren.

Geen vaste vergoeding
De werkgever mag geen onbelaste vaste vergoeding geven voor intermediaire kosten op basis van een gemiddelde elektriciteitsprijs (van bijvoorbeeld het CBS). Wil de werkgever toch een vaste onbelaste vergoeding per kWh geven? Dan is dit alleen mogelijk als hij aannemelijk kan maken dat deze vergoeding gelijk is aan de integrale kostprijs die de werknemer is verschuldigd aan zijn energiemaatschappij.

Laadpaal niet terugeisen
Is de laadpaal eigendom van de werknemer en eist de werkgever deze niet terug bij beëindiging van de lease- of arbeidsovereenkomst? Dan is geen sprake van loon voor de werknemer. Er is dan namelijk geen nieuw genietingsmoment omdat de werknemer al eigenaar is van de laadpaal. Hierop kan een uitzondering gelden. Als de werkgever een teruggaafbeding heeft afgesproken bij de verstrekking en de werkgever hier geen gebruik van maakt, kan wel sprake zijn van loon. Of dit zo is in een concreet geval, hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden.

Is de laadpaal geen eigendom van de werknemer maar is bijvoorbeeld de leasemaatschappij of de werkgever eigenaar? Dan is wel sprake van loon als de werkgever deze niet terugeist bij beëindiging van de lease- of arbeidsovereenkomst.

3. Eigen auto werknemer
Laat de werkgever een laadpaal bij de werknemer thuis plaatsen voor de eigen auto of vergoedt de werkgever de kosten hiervan? Dan mag dit onbelast, zolang dat past binnen de onbelaste vergoeding van maximaal € 0,23 per kilometer.

Vergoedingen of verstrekkingen die de werkgever naast € 0,23 per kilometer betaalt, zijn loon. Dit geldt ook voor de elektriciteit voor de auto en eventuele aanpassingen, zoals een extra groep in de meterkast en een meter om het verbruik te meten. De werkgever kan dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon als aan de gebruikelijksheidseis is voldaan. Dit valt dan onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

Proeftijdontslag niet rechtsgeldigHalf juni 2025 opent een nieuwe kinderdagverblijf zijn deuren. Het is op dinsdag en do...
28/04/2026

Proeftijdontslag niet rechtsgeldig

Half juni 2025 opent een nieuwe kinderdagverblijf zijn deuren. Het is op dinsdag en donderdag open voor de opvang van nog slechts een kind. Het aantal kinderen groeit tot vijf in augustus. Vanaf de opening staat een medewerkster op de groep. Daarvoor ontvangt ze betalingen, maar niet rechtstreeks van het kinderdagverblijf. Ze krijgt per 1 september een arbeidscontract met een proeftijd van twee maanden. Half oktober zegt de werkgever de overeenkomst op. Kan dat?

Standpunt medewerkster
Volgens de medewerkster is het proeftijdontslag niet rechtsgeldig, onder meer omdat zij al sinds half juni 2025 in dienst was bij de werkgever en toen dezelfde werkzaamheden en verantwoordelijkheden had als na 1 september 2025.

Standpunt werkgever
Volgens de werkgever is wel sprake van een geldig proeftijdontslag. De medewerkster was voor 1 september 2025 niet in dienst en heeft in die periode alleen wat hand- en spandiensten verricht. De werkgever had ook de financiële middelen niet om haar in juni in dienst te nemen. Bovendien waren de werkzaamheden voor 1 september niet te vergelijken met de werkzaamheden daarna. Als de betalingen in de periode voor 1 september al loon zouden vormen, dan betreft het een uurloon dat in hoogte niet te vergelijken is met het loon dat de medewerkster per 1 september 2025 verdiende, hetgeen een belangrijke indicatie is dat de werkzaamheden evenmin overeenkwamen.

Beoordeling proeftijdontslag door de rechter
De betalingen van voor 1 september vormen wel degelijk loon voor verrichte arbeid. Daarmee staat ook vast dat de medewerkster, die sinds de opening van het kinderdagverblijf tot het ontslag structureel betrokken was bij het reilen en zeilen van het kinderdagverblijf, op basis van een (mondelinge) arbeidsovereenkomst voor de werkgever werkzaam is geweest.

Het bestaan van een eerder dienstverband tussen dezelfde partijen sluit echter niet uit dat een rechtsgeldig proeftijdbeding is overeengekomen. Hiervoor is dan wel vereist dat er duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van de medewerkster werden vereist dan voorheen.

De werkgever heeft op dit punt betoogd dat de medewerkster tot 1 september 2025 alleen wat ‘hand- en spandiensten’ voor hem heeft verricht. Wat de werkgever echter heeft nagelaten is deze werkzaamheden schriftelijk vast te leggen in een arbeidsovereenkomst, deze werkzaamheden in een functieomschrijving te vatten en hiervoor loonstroken te genereren. Hoewel hiervoor best enig begrip is op te brengen omdat de werkgever in een opstartfase verkeerde, niet of nauwelijks eigen inkomsten had en zijn focus vanzelfsprekend gericht was op groei van het aantal aanmeldingen, heeft de werkgever hiermee een grijs gebied gecreëerd met betrekking tot de aard van de werkzaamheden van de medewerkster. Dat is moeilijk te verenigen met het wettelijke vereiste dat het voor een rechtsgeldige proeftijd in een opvolgend contract duidelijk om andere vaardigheden of verantwoordelijkheden moet gaan.

Daar komt nog het volgende bij. Uit vergelijking van de loonstroken van na 1 september en de netto betalingen in de periode voor 1 september valt af te leiden dat de medewerkster voor 1 september 2025 wel degelijk op gelijke hoogte werd beloond voor haar arbeid als daarna.

Dat er in de opstartfase minder werk was dan na 1 september 2025 omdat het aantal op te vangen kinderen geleidelijk is toegenomen, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat daarbij ook minder verantwoordelijkheden en andere vaardigheden kwamen kijken.

Conclusie
De rechter concludeert dat het proeftijdbeding geen gelding heeft tussen partijen en dat de opzegging van het dienstverband per half oktober 2025 daarom onregelmatig is geweest.

De medewerkster krijgt daarom toegewezen een extra bedrag aan transitievergoeding berekend over de periode tot 1 september, een gefixeerde schadevergoeding voor het loon over de afgesproken opzegtermijn – die bij opzegging per half oktober neerkomt op 2,5 maand bruto maandloon -, plus een billijke vergoeding van € 2.500.

Let op: Als een werknemer al eerder bij u heeft gewerkt, kunt u toch een rechtsgeldig proeftijdbeding afsluiten. Maar alleen voor een baan met duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden. De bewijslast hiervan ligt bij de werkgever. Slaagt u hierin niet, dan kan het ontslag flink in de papieren gaan lopen.

Borgstelling voor kind zonder vergoeding: schenking?Regelmatig stelt een ouder zich persoonlijk borg voor een lening die...
10/04/2026

Borgstelling voor kind zonder vergoeding: schenking?

Regelmatig stelt een ouder zich persoonlijk borg voor een lening die een kind, of de BV van een kind, aangaat. Wat als het kind, of de BV, voor deze borgstelling geen vergoeding (ook wel borgstellingsprovisie genoemd) aan de ouder hoeft te betalen? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt ingenomen.

In het aan de kennisgroep voorgelegde geval is vader de borgsteller, de bank de schuldeiser en de BV van een kind de hoofdschuldenaar.

Vraag
Is een borgstelling voor een door een derde verstrekte lening aan een BV een schenking, als de borgsteller hiervoor een lagere dan zakelijke vergoeding van die BV ontvangt?

Antwoord
Ja, als een borgsteller uit vrijgevigheid genoegen neemt met een lagere dan zakelijke vergoeding voor de borgstelling is sprake van een schenking aan degene die voordeel heeft bij die borgstelling. Dat is de aandeelhouder van de lenende BV. De verrijking betreft de waardestijging van diens aandelen, die het gevolg is van de borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding in combinatie met een lening onder aantrekkelijkere voorwaarden.

Beschouwing
Borgstelling – de juridische term is borgtocht – is de overeenkomst waarbij de borgsteller ofwel borg zich tegenover de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis, die de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen. Voor een borgstelling wordt in het economische verkeer door de hoofdschuldenaar een vergoeding betaald aan de borgsteller.

Schenking
Voor de Successiewet wordt onder schenking verstaan de gift zoals verwoord in het Burgerlijk Wetboek. Een gift is daar omschreven als “iedere handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt”. Voor een gift is nodig: verarming van de schenker en verrijking van de begiftigde, als gevolg van een handeling met een bevoordelingsbedoeling. Hierna worden deze elementen besproken.

Vrijgevigheid – bevoordelingsbedoeling
Voor een gift is nodig dat de borgstelling tot stand is gekomen met een bevoordelingsbewustheid en een bevoordelingsbedoeling bij de borgsteller. Door de borgstelling loopt vader in privé risico op aansprakelijkheid. In het economische verkeer zou niemand dat risico onder deze voorwaarden aanvaarden. Een zakelijk handelende derde zal niet of enkel tegen een zakelijke vergoeding bereid zijn om borg te staan voor de schuld van de BV van het kind.

Vader aanvaardt door de borgstelling het aansprakelijkheidsrisico en zal zich er van bewust zijn dat hij door het niet bedingen van een vergoeding iemand bevoordeelt. Vader heeft de wil om het kind te bevoordelen. Hij zou de borgstelling onder deze condities niet met een willekeurige derde zijn aangegaan.

Verarming
Van verarming is sprake omdat uit de borgstelling een verplichting voortvloeit, waaraan een waarde wordt toegekend. Vader verbindt zich op het moment van de borgstelling tot (mogelijke) nakoming van een verbintenis van de BV van het kind jegens de bank. Doordat de verplichting op het vermogen van vader drukt en hij geen zakelijke vergoeding ontvangt, neemt zijn vermogen meteen af. Dat hij alleen de schuld hoeft af te lossen als de BV van het kind haar verbintenis niet nakomt, doet daar niet aan af.

Verrijking
Dat vader zich borg stelt leidt tot een waardestijging van de aandelen in de BV van het kind. Deze waardestijging ontstaat doordat de BV door de borgstelling onder aantrekkelijke voorwaarden geld kan lenen bij een bank. Dankzij deze voorwaarden en het niet verschuldigd zijn van een (zakelijke) borgstellingsprovisie worden de aandelen in de BV meer waard. De aandelen in deze BV zijn dan ook meer waard dan de aandelen in een vergelijkbare BV, die geen of een minder gunstige borgstelling kan aantrekken.

Degene die van de waardestijging van de aandelen profiteert, is de aandeelhouder van de BV. Dus verrijkt het kind door de borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding. De verschuldigde schenkbelasting wordt in dit geval berekend naar tariefgroep I en met de vrijstelling voor het kind.

Let op: Het verstrekken van een borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding is een gift op moment van verstrekken. Dat de borgsteller pas daadwerkelijk aan de bank hoeft te betalen op het moment dat hij wordt aangesproken is niet bepalend voor het moment van de gift. Het verstrekken van een borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding is dus onmiddellijk een gift, ongeacht of de borgsteller wordt aangesproken.

Adres

Curieweg 4a
Spijkenisse
3208KJ

Openingstijden

Maandag 08:00 - 17:00
Dinsdag 08:00 - 17:00
Woensdag 08:00 - 17:00
Donderdag 08:00 - 17:00
Vrijdag 08:00 - 17:00

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Heine & Van Oosten nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Contact

Stuur een bericht naar Heine & Van Oosten:

Delen