23/08/2013
Op 13 mei 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak gedaan waarbij het verzoek om vervangende toestemming tot verhuizing is afgewezen, de moeder moet met de minderjarige terugverhuizen.
Het hof is van oordeel dat met name de noodzaak van de verhuizing onvoldoende aannemelijk is geworden, evenals de mate waarin die verhuizing is doordacht en voorbereid met het oog op het belang van de minderjarige om zoveel mogelijk in zijn vertrouwde sociale omgeving te blijven en met het oog op de continuïteit van de zorg van zijn vader. Het hof is er in dit verband niet van overtuigd geraakt dat de moeder bij haar beslissing om naar B te verhuizen ook het belang van de minderjarige voor ogen heeft gehad. Ter zitting van het hof is gebleken dat het veeleer ging om een impulsieve actie van de moeder: zij voelde zich onveilig door de opgelopen spanningen tussen haar en de vader en wilde daarom weg uit zijn directe omgeving. De moeder is hierop met de minderjarige naar B verhuisd, een plaats die op zo'n 115 km van A ligt.
De vraag waar het hof zich vervolgens voor gesteld ziet, is of het op dit moment in het belang van de minderjarige is om binnen korte tijd weer van woonplaats – en daarmee van school en sociale omgeving – te veranderen. Gezien de omstandigheden, waaronder ook zijn leeftijd, is het hof van oordeel dat het voor de minderjarige nu nog vrij makkelijk is om te veranderen van school en omgeving, mede in acht genomen het feit dat hij daar in een voor hem bekende omgeving zal terugkeren. Het hof realiseert zich dat er bij een terugverhuizing met name van de moeder een grote mentale stap wordt gevraagd, maar in deze dient het belang van de minderjarige het zwaarst te wegen.
vindplaats: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4196