26/03/2026
De politie zet steeds vaker herkenbare beelden van verdachten in als opsporingsmiddel. In de recente campagne ‘Game over’ van de politie, waarbij beelden onder meer via sociale media werden verspreid, leidde dit in korte tijd tot meerdere identificaties en meldingen van verdachten. De conclusie: het publiekelijk tonen van gezichten werkt.
Vanuit opsporingsperspectief is dat begrijpelijk en misschien zelfs noodzakelijk in een tijd waarin fraude en digitale criminaliteit explosief toenemen. Maar er zit ook een andere kant aan dit verhaal.
Het moment waarop een verdachte herkenbaar in beeld wordt gebracht, verschuift feitelijk de balans: van onschuldig tot het tegendeel is bewezen naar publiekelijk verdacht met onomkeerbare gevolgen. Want laten we eerlijk zijn: Een eenmaal verspreid beeld verdwijnt nooit meer volledig van internet. Reputatieschade ontstaat direct, nog vóór een rechter zich heeft uitgesproken. De sociale en professionele gevolgen zijn vaak blijvend, ook bij vrijspraak en de druk op een verdachte (en diens omgeving) neemt exponentieel toe.
Juridisch gezien is terughoudendheid hier niet voor niets het uitgangspunt. Het herkenbaar tonen van verdachten kan neerkomen op een vorm van publieke bestraffing, nog vóór enige rechterlijke toetsing heeft plaatsgevonden. En precies daar wringt het.
De kernvraag is dus niet óf het werkt, maar of het proportioneel is. Wanneer is deze inbreuk gerechtvaardigd? En wie bewaakt die grens, zeker in een tijd waarin opsporing steeds meer via media en publieke druk plaatsvindt? Als we effectieve opsporing willen combineren met een rechtsstaat die haar fundamenten serieus neemt, vraagt dit om voortdurende kritische reflectie. Niet alleen vanuit opsporing. Juist ook vanuit verdediging.