De Raadsman

De Raadsman Juridische bijstand, maar dan persoonlijk en betrokken.

06/02/2025

De aanzegverplichting:
Hierover berichtte ik eerder, maar nu met drie praktijkvoorbeelden.

Werkgevers zijn verplicht om op tijd (één maand voor het einde) aan een werknemer te laten weten of een tijdelijk contract wel of niet wordt verlengd. Dit moet schriftelijk op straffe van een boete van maximaal één maandsalaris.

Korte arbeidsovereenkomst = geen aanzegverplichting

Het contract van een werknemer van 7 maanden werd met een jaar verlengd. De derde en laatste arbeidsovereenkomst was voor 1 maand. Aan het eind vorderde de werknemer tevergeefs een aanzegvergoeding van een maandsalaris omdat de laatste arbeidsovereenkomsten korter dan 6 maanden duurde (zie artikel 7:668 lid 2 BW).

Schriftelijkheidsvereiste

Een andere werknemer had ook een arbeidsovereenkomst voor 7 maanden en werd eenmaal verlengd. De werknemer werd vervolgens ziek en de arbeidsovereenkomst eindigde van rechtswege. Van een aanzegging was geen sprake. Dit betekende volgens de rechter echter niet dat sprake was van een stilzwijgende verlenging. Wel was de aanzegvergoeding verschuldigd. De Hoge Raad heeft immers bepaald dat: “ook als voor de werknemer langs andere weg duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet of de werknemer geen nadeel heeft geleden door het niet naleven van de schriftelijkheidseis, is de aanzegvergoeding verschuldigd.” Dit gold niet voor de gevorderde 8% vakantietoeslag, gezien de definitie van het loonbegrip in artikel 2 van het toepasselijke Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding.

Aanzegging in considerans vaststellingsovereenkomst

Een andere overeenkomst was van rechtswege beëindigd. Omdat de aanzegging niet separaat schriftelijk was bevestigd vorderde de werknemer een aanzegvergoeding, maar omdat de beëindiging in een overigens niet ondertekende overeenkomst stond wist de werknemer tijdig dat het contract niet zou worden verlengd.

De omstandigheid dat partijen over de beëindigingsovereenkomst geen overeenstemming hadden bereikt deed volgens de rechter niet af aan de schriftelijkheid van de mededeling.



Bronnen: Rechtbank Den Haag 6 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16351

Rechtbank Rotterdam 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:8252

Rechtbank Rotterdam 2 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:981

HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1374

Call now to connect with business.

06/02/2025

Kennis bestuurder niet altijd toerekenbaar aan rechtspersoon.
In een relatief recent arrest zag de Hoge Raad zich gesteld voor de vraag naar toerekening van wetenschap van een bestuurder aan een door hem bestuurde vennootschap.
Deze kwestie kwam op bij de beoordeling van een beroep op verjaring van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad, waarmee voormalig bestuurders van de aansprakelijk gestelde partij (Treston) al vanaf de eerste dag bekend waren, nu zij daarbij rechtstreeks betrokken waren.

Het hof bestempelde deze gang van zaken tegenover de andere partij verregaand onzorgvuldig. De betrokken functionarissen kon daarvan in de ogen van het hof een ernstig verwijt worden gemaakt. Bij de beoordeling van het beroep op verjaring rekende het hof de eigen wetenschap van de betrokken functionarissen van de andere partij niet aan deze vennootschap toe. Naar de Hoge Raad in zijn arrest van 11 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1413) vooropstelde, brengt de aard van zijn functie mee dat de wetenschap van een bestuurder in het maatschappelijk verkeer in beginsel heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon. Dit uitgangspunt geldt echter niet onverkort. Onder bijzondere omstandigheden geldt dit niet. Dergelijke bijzondere omstandigheden deden zich, aldus de Hoge Raad, hier voor. De Hoge Raad wees op de eigen financiële belangen van de betrokken functionarissen, de verdoezeling hiervan voor (de niet geconflicteerde leden van) de raad van bestuur en de raad van commissarissen, de wetenschap van Treston van voormelde belangenverstrengeling, de bekendheid bij Treston met het oogmerk van de drie functionarissen om zich met de constructie te bevoordelen, de hieraan door Treston verleende medewerking en het door Treston uit het onbehoorlijk bestuur getrokken profijt.
Onder deze omstandigheden kan van toerekening van wetenschap geen sprake zijn. Een rechtspersoon zal in het maatschappelijk verkeer niet snel geacht kunnen worden kennis te dragen van een haar niet daadwerkelijk bekende, tegenover haar gepleegde, bewust voor haar verborgen gehouden, onrechtmatige daad, enkel nu haar bestuurder daarbij zelf betrokken was. Dit zou een ongerijmd resultaat opleveren. Voor de beantwoording van de vraag naar de toerekening van kennis van een bestuurder aan een rechtspersoon, kunnen – zo onderstreept de Hoge Raad met dit arrest – externe, dus buiten de directe rechtsrelatie van bestuurder en door hem bestuurde vennootschap gelegen, factoren van belang zijn, zoals in dit geval, de wetenschap van, betrokkenheid bij en het profijt uit de herverzekeringsconstructie voor Treston. De hiervoor weergegeven hoofdregel staat dus nog fier overeind; de wetenschap van de bestuurder geldt ook de vennootschap. Slechts in exceptionele gevallen, waarvan deze zaak een sprekend voorbeeld vormt, zal voor toerekening van de kennis van de bestuurder aan de door hem bestuurde rechtspersoon geen plaats zijn.

Call now to connect with business.

06/02/2025

Redelijke annuleringskosten?
Bijna iedereen heeft er wel eens mee te maken: Kosten die in rekening gebracht worden wanneer jij een overeenkomst niet (wilt) nakomen.
Wanneer jouw onderneming die kosten wilt ontvangen of wanneer jou dat niet beroep- of bedrijfsmatig en dus als consument overkomt bestaan er wat spelregels.

Wanneer een contractsbepaling binnen de werkingssfeer valt van Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, dient de nationale rechter ambtshalve te toetsen of het beding oneerlijk is. Hierbij dient de rechter ermee rekening te houden dat de richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is, maar het Nederlandse recht wel richtlijnconform dient te worden uitgelegd. Dit brengt mee dat hiernaar op grond van artikel 6:233 BW ambtshalve onderzoek moet worden gedaan. Wanneer vaststaat dat een beding oneerlijk is, is de rechter gehouden het beding ambtshalve te vernietigen.
Daarnaast kan er geen aanspraak meer worden gemaakt op een bepaling van aanvullend nationaal recht wanneer een beding als oneerlijk wordt aangemerkt. De nationale rechter heeft namelijk de verplichting om doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig te sanctioneren bij inbreuken op Europeesrechtelijke wet- en regelgeving strekkende tot bescherming van de consument.

Het annuleringsbeding is een beding als bedoeld in artikel 6:237 onder i BW en wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn, tenzij het een redelijke vergoeding inhoudt voor het geleden verlies of gederfde winst.
De gebruiker van het beding dient te stellen en onderbouwen dat de bedongen vergoeding in dit specifieke geval en in alle omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de werkelijk geleden schade.
Verwijzingen naar algemene rapporten zijn voor die onderbouwing niet toereikend.
Men zal moeten ingaan op de specifieke situatie van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en inzichtelijk moeten maken welke schade wordt geleden en de omvang van de annuleringskosten zal daarmee in verhouding moeten staan.
Ook dient er bij de berekening van de vergoeding rekening gehouden te worden met het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen.

Het blijkt dus van belang de redenen en achtergronden van een annuleringsbeding in de overeenkomst nader te duiden en bij gelegenheid specifiek in te vullen.

Call now to connect with business.

06/02/2025

Herstel of renovatie huurwoning:
In de wet is geregeld dat het verhelpen van een gebrek geen aanleiding kan zijn om de huurprijs op de voet van artikel 7:255 BW (gereguleerde huur) of artikel 7:255a BW (hoogsegment huur en middenhuur woonruimte gesloten vóór 1 juli 2024 ) te verhogen. Het verhelpen van een gebrek brengt de voorziening van de woning op het niveau dat door partijen is afgesproken en brengt geen geriefsverbetering teweeg, die partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst niet hebben voorzien.
Een nuance moet worden aangebracht in verband met herstel van de tekortkomingen als vermeld in artikel 241 BW. Dit kunnen ook tekortkomingen zijn die niets te maken hebben met achterstallig onderhoud maar met de kwaliteit van de woning. Op grond van artikel 206 BW kan de huurder aanspraak maken dat deze gebreken worden opgeheven, ook al waren deze hem bij het aangaan van de huurovereenkomst bekend en waren deze wellicht in de huurprijs verdisconteerd. Voor deze verbeteringen heeft de verhuurder dus geen recht op huurprijsverhoging.
Als er sprake is van renovatie aan minder dan tien woningen die een bouwkundige eenheid vormen, dan ligt het procesinitiatief in dit verband op grond van artikel 7:220 lid 3 BW bij de verhuurder als partijen geen overeenstemming over het redelijke voorstel hebben kunnen bereiken. Dit geldt zowel voor wat betreft de voorgestelde werkzaamheden als de voorgestelde huurverhoging in het kader van een renovatievoorstel.
Er vallen dus twee situaties te onderscheiden:
1. Als de huurder de voorziening (en daarbij de verhoging) zelf weigert, dan is het mogelijk dat de verhuurder de huur op grond van het gestelde in artikel 7:274 lid 1 onder d BW opzegt, waarna de Rechtbank de redelijkheid van het voorstel beoordeelt en huurder een mand de tijd krijgt alsnog accoord te gaan;
2. als de huurder van gereguleerde woonruimte of de huurder van hoogsegment woonruimte de voorziening accepteert, maar de verhoging van de huurprijs te hoog acht, dan staat de weg van respectievelijk artikel 7:255 BW en artikel 7:255a BW in samenhang met respectievelijk artikel 15 UHW en artikel 15a UHW open. Na realisering van de werkzaamheden bestaat alsnog de mogelijkheid bezwaar tegen verhoging van de huurprijs te maken.
De huurder van zowel gereguleerde woonruimte en de huurder van hoogsegment woonruimte kunnen binnen drie maanden na beëindiging van de renovatiewerkzaamheden bij de Huurcommissie de voorgestelde huurprijs naar redelijkheid laten toetsen. Deze huurders kunnen de procedure bij de Huurcommissie schriftelijk indienen of dit online via de site van de Huurcommissie doen

Call now to connect with business.

31/10/2024

Bom gedropt door Hoge Raad.
Explosieve uitspraak over vergoeding van een in de VS ondergane behandeling tegen kanker (30-10-2024)
De Hoge Raad deed een voor het zorgstelsel explosieve uitspraak over vergoeding op grond van de Zorgverzekeringswet van een in de VS ondergane behandeling met een aldaar (maar niet alhier) toegelaten geneesmiddel. Een Nederlandse verzekerde was in Miami behandeld voor lymfeklierkanker. Voor deze zorg werd € 570.000 in rekening gebracht. Verzekerde heeft op grond van de Zorgverzekeringswet recht op vergoeding.
De zorgverzekeraar kon niet tegenwerpen dat vergoeding in strijd zou komen met regels over tariefregulering. Het wettelijk voorschrift dat geneesmiddelen waarvoor in Nederland geen handelsvergunning is afgegeven, niet in Nederland mogen worden toegepast, laat onverlet dat een geneesmiddel waarvoor in Nederland (nog) geen handelsvergunning is afgegeven, voor vergoeding in aanmerking kan komen.

Call now to connect with business.

02/10/2024

Cursus voor werknemer: Gratis of Studiekostenovereenkomst?

De werkgever moet op grond van artikel 7:611a lid 1 BW de werknemer in staat stellen de scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie.
Met de inwerkingtreding per 1 augustus 2022 van de Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (Wtva) moeten werkgevers op grond van lid 2 van dat artikel verplichte scholing kosteloos aanbieden.
Het gaat dan om scholing die verplicht moet worden aangeboden op grond van toepasselijk Unierecht, nationaal recht, een cao of een regeling van een bevoegd bestuursorgaan.
Ieder beding (zoals in een studiekostenovereenkomst) in strijd met deze bepaling is op grond van artikel 7:611a lid 4 BW nietig.
De leden 2 en 4 van deze bepaling zijn het gevolg van de implementatie van de EU-richtlijn 2019/1152 Wtva in de Europese Unie.
Een uitzondering op deze regel geldt voor de zogenoemde startkwalificaties en voor beroeps-opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een (reeds verkregen) beroepskwalificatie.
Werkgevers hoeven beroepsopleidingen en beroepskwalificaties dus niet kosteloos aan te bieden, tenzij er een specifieke regeling is in de zin van artikel 7:611a lid 2 BW die voorschrijft dat deze scholing toch voor rekening van de werkgever komt, zo volgt uit de Preambule onder overweging 37 bij de Richtlijn en uit Kamerstukken II 2021/22, 35692, nr. 3 p. 10

31/07/2024

Electrische kat in de zak?
De koper van een electrische auto merkt dat de beloofde actieradius van een volle batterij niet wordt gehaald.
Op grond van de mededelingen die de autodealer heeft gedaan over de actieradius verwachtte de koper dat de auto onder gebruikelijke omstandigheden (normaal rijgedrag in de winter, vooral rijdende op de snelweg) een significant hogere actieradius had dan de daadwerkelijke circa 300 kilometer.
Art. 7:17 lid 2, eerste volzin, BW bepaalt dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt indien zij, mede gelet op 1) de aard van de zaak en 2)de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. (non-conformiteit)
Bij arrest van 28 juni 2024 heeft de Hoge Raad (der Nederlanden) – kort samengevat – geoordeeld - dat de koopovereenkomst inhield dat autodealer een auto met die eigenschap (actieradius) moest leveren, dat de daadwerkelijk bereikte actieradius van hooguit circa 300 kilometer in de winter ruim 35% minder is dan de door autodealer vermelde actieradius van 480 kilometer en dat de door autodealer aan kopende partij geleverde auto reeds hierom niet beantwoordt aan de tussen hen gesloten koopovereenkomst en wordt ontbonden.

Het Gerechtshof had deze non-conformiteit beperkt tot deze individuele zaak en gebaseerd op een door partijen overeengekomen bijzonder gebruik, zodat daarmee geen of een zeer beperkt precedent werd geschapen.
Het oordeel van de Hoge Raad is niet op dit bijzonder gebruik maar slechts op de inhoud van advertenties gegrond zodat daar wel een sterke precedentwerking van uit gaat.
De omstandigheid echter dat inmiddels zes jaren sinds deze koopovereenkomst zijn verstreken en op grond van publicaties en nieuwsberichten de kennis van de consument omtrent de actieradius van deze automobielen (de aard van de zaak) is vergroot – en daarmee diens verwachtingen redelijkerwijs wat zouden kunnen zijn getemperd – zou kunnen betekenen dat bij een kleiner verschil tussen geadverteerde en daadwerkelijke actieradius de huidige kopers hier wel een iets lastiger klus aan kunnen hebben

25/07/2024

Recht op provisie en de transitievergoeding.

In een procedure bij de Centrale Raad van Beroep (ECLI:L:CRVB:2024:1033) treffen een werkgever die op grond van art. 7:673e BW een compensatie voor een uitbetaalde transitievergoeding wenst en het UWV elkaar.
De werkgever ontving minder compensatie omdat het UWV de looncomponent ‘provisie’ – niet naar tijdruimte vastgesteld loon maar afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid - op een andere wijze liet meewegen.
Het UWV baseerde zich op de provisie die daadwerkelijk was uitbetaald of uitbetaald had moeten worden in de 12 maanden voorafgaand aan het einde arbeidsovereenkomst; de referteperiode.
De werkgever had de hoogte van dit looncomponent bepaald aan de hand van het (blijkbaar meeromvattend) in die periode opgebouwde recht op provisie.

De Advocaat-Generaal komt in haar conclusie (advies) tot het oordeel dat uit de bewoordingen van artikel 2 lid 3 Besluit Loonbegrip aanzegtermijn en transitievergoeding naar voren komt dat de werkgever juist heeft gehandeld en (dus) recht heeft op een hogere compensatie.
De grondslag van de berekening is dus het opgebouwde recht en niet hetgeen werd uitbetaald of uitbetaald had moeten worden.
Het verschil tussen de provisie die uitbetaald had moeten worden en het opgebouwde recht op provisie lijkt niet zo helder; het in de referteperiode van 12 maanden opgebouwde recht had immers uitbetaald moeten worden nietwaar.
De omstandigheid dat in de tekst van art. 2 lid 3 Besluit wordt gesproken over provisie die ‘afhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid’, vormt volgens de A-G een aanwijzing dat het erom gaat wat de hoogte is van de provisie over de periode waarin de arbeid is verricht (en perioden waarin dat (verwijtloos) niet werd gedaan dus niet meetellen).

Het Besluit Loonbegrip bepaalt in art. 2 voor de berekening van zowel de transitievergoeding als de vergoeding voor het niet in acht nemen van de aanzegtermijn (art. 7:668 lid 3 BW17), wat onder ‘loon’ moet worden verstaan. Voor zover hier van belang luidt art. 2 als volgt:
1. Voor de toepassing van artikel 668, derde lid, en artikel 673, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt onder loon verstaan: het bruto uurloon vermenigvuldigd met de overeengekomen of gemiddeld aantal gewerkte arbeidsduur per maand:
a. in de twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt;

Uit de Regeling Looncomponenten Arbeidsduur volgt echter dat in bijzondere gevallen deze referteperiode wordt ‘voorverlengd’; zie. ECLI:NL:HR:2019:632

In gevallen waarin het loon gedeeltelijk uit provisie bestaat of afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, wordt in gevallen waarin de werknemer een maand of langer niet in staat is geweest de bedongen arbeid te verrichten, de referteperiode ‘voorverlengd’ (art. 3 lid 1 Regeling j° art. 2 Regeling j° art. 2 lid 3 Besluit).
Dit betekent kort gezegd dat als de werknemer in de referteperiode bijvoorbeeld twee maanden ziek is geweest, de referteperiode niet twaalf maanden voor het einde van de arbeidsovereenkomst start, maar veertien maanden. Op deze manier wordt er dus gecorrigeerd voor de genoemde periodes van niet-verwijtbare inactiviteit.

Opmerking verdient overigens dat variabele looncomponenten wel voor de transitievergoeding maar niet voor de compensatie daarvan worden meegenomen.
Omdat het gewenst is om loon in de vorm van provisie en stukloon ook in aanmerking te nemen bij de berekening van de hoogte van de vergoeding wegens het niet houden aan de aanzegtermijn, is er in dit Besluit voor gekozen deze componenten te rekenen tot het loon in de zin van artikel 2, en niet te behandelen als variabele looncomponenten. Als provisie en stukloon behandeld zouden worden als variabele looncomponenten, zouden ze immers (op grond van artikel 3) alleen meegenomen worden bij de berekening van de transitievergoeding.

25/07/2024

DE OMVANG VAN TRANSITIEVERGOEDING
Op grond van de Wet Werk & Zekerheid heeft nagenoeg iedere werknemer bij het einde arbeidsovereenkomst in beginsel recht op een(doorgaans karige) transitievergoeding. In het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding en de Regeling looncomponenten en arbeidsduur is geregeld welke looncomponenten mee worden gewogen.
Volgens het Besluit vermeerder je het maandloon met looncomponenten waar de werknemer aanspraak op zou hebben als de arbeidsovereenkomst was voortgezet; het maandloon + vakantiebijslag + vaste eindejaarsuitkering (bijvoorbeeld een 13e maand) + vaste & variabele looncomponenten.
Onder loon valt het overeengekomen bruto uurloon, inclusief eventuele cao verhogingen die binnen de duur van het dienstverband vallen, vermenigvuldigd met de overeengekomen arbeidsduur per maand. Het gaat hier om dat deel van het loon dat een directe vergoeding vormt voor de op basis van de arbeidsovereenkomst te verrichten arbeid, vermeerderd met 1/12e deel van de vakantietoeslag en de vaste eindejaarsuitkering.
In geval van arbeidsongeschiktheid moet rekening worden gehouden met het loon waarop de werknemer recht zou hebben gehad indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn; een vergelijkbare systematiek als met betrekking de hoogte van de compensatie van de transitievergoeding door het UWV, waarover in een volgend separaat memo meer.
In de Regeling zijn de looncomponenten genoemd die meetellen en zij bepaalt welke looncomponenten vast en variabel zijn.
Vaste looncomponenten.
Vaste looncomponenten zijn overwerkvergoedingen, ploegentoeslag, auto van de zaak. Het gaat hier om de overeengekomen vaste looncomponenten die in de 12 maanden voorafgaand aan het jaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt verschuldigd waren; de referteperiode.
De Hoge Raad heeft in 2019 geoordeeld dat slechts in gevallen waarin onverkorte toepassing van de referteperiode, zoals die uit de wettelijke regelingen volgt, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, het de rechter vrijstaat om af te wijken van de wettelijke referteperiode.
Voor de overwerkvergoeding geldt dat als in de periode voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid structureel is overgewerkt en de werknemer in de periode van arbeidsongeschiktheid slechts een bij cao bepaalde vervangende (lagere) overwerkvergoeding wegens ziekte heeft ontvangen, er rekening moet worden gehouden met de gemiddelde overwerkvergoeding in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid; de referteperiode.
Variabele looncomponenten.
Variabele looncomponenten zijn niet naar tijdruimte vastgestelde beloningen als stukloon, bonussen, winstuitkeringen en eindejaarsuitkeringen die afhankelijk zijn van het functioneren van de werknemer en/of de resultaten van de onderneming.
Indien onderling afgesproken dan tellen die voor het gemiddelde over de afgelopen 36 maanden mee; zodra de werkgever zelfstandig kan bepalen of in een bepaald jaar een bonus wordt toegekend telt deze niet mee. Uit de toelichting op de Regeling blijkt dat niet de benaming van de looncomponent bepalend is, maar de vraag of de looncomponent zich materieel kenmerkt als een van de aangewezen looncomponenten en een feitelijke, directe vergoeding is voor het verrichten van de bedongen arbeid, waarmee de deur voor varianten wordt opengezet.
Het werkgeversaandeel pensioenpremie, een onkostenvergoeding en de werkgeversbijdrage zorgverzekeringspremie worden niet meegenomen.
In de rechtspraak is een toegekende persoonlijke toeslag, die ook tijdens ziekte is uitbetaald als een vaste looncomponent gezien. Een feestdagencompensatie, onregelmatigheidstoeslag en vliegurenvergoeding kwalificeren als (een bijzondere vorm van) een overwerkvergoeding. Ook een individueel keuzebudget dient te worden meegenomen, nu niet vereist is dat looncomponenten in geld uitgekeerd worden.
Hoewel dus de basisformule voor het berekenen van de transitievergoeding relatief eenvoudig is, kan er verschil van mening ontstaan bij het bepalen van het loon dat als grondslag dient bij het berekenen van de transitievergoeding.

De exhibitieplicht (843a Rv) in het burgerlijk procesrechtMet ingang van 1 januari 2025 treedt de Wet vereenvoudiging en...
08/05/2024

De exhibitieplicht (843a Rv) in het burgerlijk procesrecht

Met ingang van 1 januari 2025 treedt de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking en vergroot de mogelijkheden om voor en tijdens civiele gerechtelijke procedures informatie te verkrijgen over een geschil. Een van de wijzigingen heeft betrekking op de exhibitieplicht, zoals vastgelegd in artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Wijziging artikel 843a Rv
Artikel 843a Rv biedt een grondslag voor het verkrijgen van informatie waarover een wederpartij of derde beschikt ten bate van het eigen betoog.
Het is een middel tot het verkrijgen van bewijsmateriaal en het inschatten van succes en moet aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Niet alleen moet je een aparte gerechtelijke procedure starten, maar je moet een rechtmatig en eigen (in plaats van afgeleid) belang hebben over de verlangde data te beschikken.

Per 1 januari 2025 zal artikel 843a Rv worden vervangen door de artikelen 194, 195 en 195a Rv. Eén van de veranderingen is dat de exhibitieplicht wordt gekoppeld aan de Wet Open Overheid (Woo) indien er sprake is van een vordering tegen een derde met betrekking tot publieke informatie.

Vordering jegens een derde
Artikel 195a Rv (nieuw) biedt de mogelijkheid om een derde te verplichten tot het verstrekken van informatie. Een partij die documenten van een derde wenst te verkrijgen kan deze derde betrekken in een aparte procedure, zoals een kort geding. Het is echter ook mogelijk om de derde mee te dagvaarden in het geschil tegen de eigenlijke wederpartij. Artikel 195a Rv (nieuw) biedt ook de mogelijkheid om een derde in een reeds lopende procedure te betrekken.

Aan een dergelijke vordering wordt onder artikel 843a Rv bijvoorbeeld de eis gesteld dat eerst vruchteloos de wederpartij werd aangesproken, of dat alternatieven evenmin doel troffen.
In de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is deze terughoudendheid niet expliciet opgenomen en het lijkt afwachten hoe de rechterlijke macht daar na invoering van de Wet mee omgaat.

Publieke informatie onder de Woo
In artikel 194 derde lid Rv (nieuw) heeft de overheid als derde een speciale positie. Ze is niet verplicht om inzage te geven, voor zover ze daar op basis van de Woo niet toe verplicht is.
Volgens de Memorie van Toelichting betekent dit dat de overheid in sommige gevallen kanvolstaan met het onleesbaar maken of verwijderen van informatie die niet openbaar mag worden gemaakt of die niet relevant is voor het geschil.

Het koppelen van de exhibitieplicht van artikel 194 Rv (nieuw) aan de Woo is een duidelijke verandering ten opzichte van het geheel op zichzelf staand artikel 843a Rv..

Meer informatie?
Heeft uw vragen over de exhibitieplicht, of wilt u meer weten over de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht? Neem dan contact op met De Raadsman via [email protected] of 06-14991323.

Address

Dukasstraat 3

1962AH

Alerts

Be the first to know and let us send you an email when De Raadsman posts news and promotions. Your email address will not be used for any other purpose, and you can unsubscribe at any time.

  • Want your practice to be the top-listed Law Practice?

Share