Meerts Rechtspraktijk en Meerts Boekhoudingen

Meerts Rechtspraktijk en Meerts Boekhoudingen Rechtspraktijk: De aanhouder wint. Kansen zien waar anderen die laten liggen. Boekhoudi Ruim 20 jaar weten vele cliënten de weg al naar mr. drs. Meerts te vinden.

Second opinions
Arbitrages
Juridische begeleiding
Procederen t/m de hoogste rechters
Haalbaarheidsonderzoek juridische kwesties

En meer, zie onze website. Dankzij hen deden wij ruime ervaring op in duizenden dossiers. Adviseren en bemiddelen kan raadzaam zijn, maar zo nodig procederen we tot en met de hoogste rechters. We zien kansen waar anderen die laten liggen en bekijken een probleem veel breder dan alleen juridisch. Spreekt deze visie u aan?

Lessen van de Rijdende RechterDe Rijdende Rechter heeft in de loop der jaren diverse klassiekers voorbij zien komen. Dri...
22/03/2026

Lessen van de Rijdende Rechter

De Rijdende Rechter heeft in de loop der jaren diverse klassiekers voorbij zien komen. Drie specifieke zaken bieden ons als liefhebbers cruciale juridische lessen. Dit artikel is in beginsel geschreven voor de leden van oldtimerclubs.

"Het 'Prima' Autootje"
In een bekende zaak kocht een liefhebber een oudere auto die door de verkoper werd aangeprezen als een "prima autootje". Kort na de aankoop bleek bij een technische keuring dat de bodem volledig was doorgerot en de auto technisch rijp was voor de sloop. De koper eiste zijn geld terug.

• De uitspraak: De rechter stelde dat een koper van een oldtimer een zware onderzoeksplicht heeft. Hoe ouder de auto, hoe minder je mag verwachten. De term "prima autootje" is een algemene aanprijzing en geen garantie voor een perfecte technische staat. Omdat de koper geen aankoopkeuring had laten verrichten, bleef de schade voor eigen rekening.
• De les voor de clubleden: Vertrouw nooit op blauwe ogen of vage termen als "technisch goed". Bij een auto van 30+ jaar oud is het juridisch bijna onmogelijk om verborgen gebreken aan te voeren als je zelf geen deskundige naar de auto hebt laten kijken vóór de koop.

"De Burenruzie om de Deuk"
In een andere zaak stond een zeldzame klassieker centraal die geparkeerd stond in een gedeelde garage. De eigenaar ontdekte een verse deuk en beschuldigde de buurman, die met zijn moderne auto krap langs de oldtimer moest manoeuvreren. De buurman ontkende in alle toonaarden.

• De uitspraak: De rechter was onverbiddelijk: wie stelt, bewijst. De eigenaar van de oldtimer kon niet onomstotelijk bewijzen dat de deuk door de auto van de buurman kwam (geen lakschade van de tegenpartij, geen getuigen). Het feit dat het "logisch" leek, was juridisch onvoldoende. De claim werd afgewezen.
• De les voor de clubleden: Onze auto’s zijn kwetsbaar en vaak kostbaar om te herstellen. Juridisch sta je met lege handen zonder bewijs. Overweeg bij stalling in gedeelde ruimtes een dashcam met parkeermodus en zorg eventueel voor een waterdicht taxatierapport dat de staat van de carrosserie kort vóór het incident vastlegt.

"De Onvoltooide Restauratie"
In een slepend conflict tussen een clublid en een restaurateur stond een half afgebouwde klassieker centraal. De eigenaar was ontevreden over de voortgang en de oplopende kosten, en wilde zijn auto ophalen. De garagehouder weigerde de auto af te geven totdat alle openstaande (en betwiste) uren waren betaald.

• De uitspraak: De Rijdende Rechter herinnerde de eigenaar aan het retentierecht. Dit is het wettelijke recht van een garagehouder om een voertuig onder zich te houden totdat de rekening is voldaan. Zelfs als er discussie is over de kwaliteit van het werk, mag de garage de auto "gijzelen". De eigenaar trok aan het kortste eind en moest eerst betalen (of een bankgarantie stellen) om zijn bezit terug te krijgen.
• De les voor de clubleden: Maak bij restauraties vooraf schriftelijke afspraken over deelbetalingen en deadlines. Laat urenspecificaties tussentijds verstrekken om te controleren. Voorkom dat uw auto een "onderpand" wordt in een juridisch moeras.

17/01/2026

Geen motor aan, toch een helm op?

Rechter oordeelt over de 'fietsende' bromfietser.
Wie op een bromfiets stapt, moet een helm dragen. Dat klinkt logisch, maar wat als de motor kapot is en je het voertuig als fiets gebruikt? Een eigenaar van een klassieke Mobylette Kaptein dacht dat hij zijn helm wel af kon zetten toen hij de 'fietsstand' inschakelde, maar de kantonrechter in Alkmaar oordeelde op 26 februari 2025 anders.

De betrokkene reed op zijn Mobylette-oldtimer toen de motor ermee ophield. Omdat dit specifieke model beschikt over een zogenaamde 'fietsstand', besloot de bestuurder de motor uit te schakelen en verder te trappen. In de veronderstelling dat het voertuig op dat moment juridisch gezien een fiets was geworden, deed hij zijn helm af.

Een agent ter plaatse was het hier niet mee eens en legde een boete op voor het rijden zonder helm. De agent weigerde volgens de betrokkene te kijken naar de technische staat van de bromfiets of de ingeschakelde fietsstand.
Het oordeel: Eens een bromfiets, altijd een bromfiets

Nadat de officier van justitie het bezwaar eerder al ongegrond had verklaard, moest de kantonrechter zich over de zaak buigen. De kern van de juridische vraag was: verandert de status van een voertuig (en daarmee de helmplicht) op het moment dat de motor niet wordt gebruikt?
De kantonrechter is hierover onverbiddelijk. Op basis van artikel 60 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is de bestuurder van een bromfiets simpelweg verplicht een goed passende helm te dragen. De rechter stelt vast dat:
1. Het voertuig voor de wet een bromfiets blijft, ongeacht of de motor aan of uit staat.
2. De helmplicht onverminderd van kracht blijft zolang men het voertuig bestuurt.
3. Het feit dat er gefietst werd op een bromfiets, de bestuurder niet ontslaat van deze plicht.

De betrokkene hoopte nog op een matiging (verlaging) van de boete vanwege de bijzondere omstandigheden, maar de rechter zag daar geen reden toe. De verklaring van de verbalisant (de agent) bood voldoende bewijs dat de overtreding was begaan.

De uitspraak herinnert alle bezitters van bromfietsen en snorfietsen eraan dat de voertuigcategorie op het kentekenbewijs leidend is voor de verkeersregels, niet de manier waarop het voertuig op dat moment wordt voortbewogen.

Op de 'Flintstone'-manier voortduwen van een scooterHet leek zo’n sympathiek plan. Je bent laat, het is koud, je vriendi...
10/01/2026

Op de 'Flintstone'-manier voortduwen van een scooter

Het leek zo’n sympathiek plan. Je bent laat, het is koud, je vriendin staat te vernikkelen en de snelste weg naar de overkant is de Cuyperspassage bij Amsterdam Centraal. Er is alleen één probleem: je bent op de scooter en die tunnel is verboden terrein voor gemotoriseerd verkeer.

De oplossing? De motor uit, de voeten op de grond en duwen maar. Sympathiek? Misschien. Legaal? Volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden absoluut niet.

In een arrest (Wahv 200.286.832/01) boog het hof zich over een zaak die bijna uit een komische film lijkt te komen. Een scooterrijder werd in oktober 2019 gefitst terwijl hij zich door de Amsterdamse tunnel voortbewoog. De betrokkene verdedigde zich met een even logisch als aandoenlijk pleidooi: hij zat weliswaar op zijn scooter, maar hij was hem aan het duwen. Als bewijs voerde de man aan dat hij op de foto werd ingehaald door twee fietsers. "Dat toont aan dat ik aan het duwen was," beargumenteerde hij, "want anders wordt een scooter nooit ingehaald door fietsers." Bovendien had hij nagedacht over de geest van de wet: het verbod was er vast vanwege de uitlaatgassen. Dus: motor uit, probleem opgelost, toch?

Helaas voor deze creatieve verkeersdeelnemer bleek de rechter niet gevoelig voor zijn logica, want wie zich met een bromfiets of scooter over de weg verplaatst – ook met de motor uit en de benen als aandrijving – is juridisch gezien nog steeds een 'bestuurder'. Of je nu 40 kilometer per uur raast of stapvoets zwoegt terwijl de fietsers je om de oren vliegen: je bestuurt een motorvoertuig op een plek waar dat niet mag.

Ook het argument dat hij zijn vriendin niet in de kou wilde laten staan en de pont van over twee minuten móest halen, kon de rechters niet vermurwen. Hoewel het hof erkende dat het vervelend is, geeft dat een burger niet het recht om naar eigen inzicht de regels te negeren. De conclusie is dan ook pijnlijk voor de portemonnee: de boete van € 95,- (plus administratiekosten) blijft gewoon staan.

23/10/2025

VORDERING TOT AFGIFTE ROLLS ROYCE ONDER RETENTIERECHT

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Zittingsplaats Middelburg.

Eiser is eigenaar van een Rolls Royce en heeft opdracht gegeven aan het bedrijf van gedaagde om de motor van de Rolls Royce te reviseren. Gedaagde heeft de opdracht aanvaard en is op 10 januari 2022 gestart met de werkzaamheden.

Eiser vordert dat de rechter gedaagde zal veroordelen tot onmiddellijke afgifte van de Rolls Royce met alle/losse onderdelen aan eiser binnen zeven dagen. Eiser legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat hij inmiddels € 94.246,18 aan gedaagde heeft betaald, maar dat de werkzaamheden aan de Rolls Royce nog steeds niet zijn afgerond, althans dat gedaagde daarover geen duidelijkheid verschaft. Bij brief van 4 juli 2025 heeft eiser daarom de overeenkomst ontbonden. Gedaagde is gesommeerd de Rolls Royce (met alle losse onderdelen) aan eiser terug te geven. Partijen zijn overeengekomen dat eiser de Rolls Royce op 8 augustus 2025 ophaalt, maar op 7 augustus 2025 heeft gedaagde hem een ‘acte van kwijting’ gestuurd waarin is opgenomen dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen ten aanzien van de werkzaamheden aan de Rolls Royce. Toen eiser daarmee niet instemde, heeft gedaagde geweigerd de Rolls Royce aan eiser af te geven.

Gedaagde voert verweer en heeft ter zitting aangevoerd dat de werkzaamheden aan de Rolls Royce de avond voorafgaand aan de zitting zijn afgerond. Eiser heeft echter geen € 94.246,18 voor de revisie van de motor voldaan, maar circa € 53.000,00. Op dit moment is er nog een openstaand bedrag van circa € 47.000,00, bestaande uit een restant van de factuur van 24 november 2024 en een laatste nog niet aan eiser ter beschikking gestelde (ongedateerde) factuur. Gedaagde voert aan dat eiser de openstaande bedragen eerst dient te betalen voordat de auto aan eiser kan worden afgegeven.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of eiser ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor verdere bewijslevering.

Vaststaat dat eiser eigenaar is van de Rolls Royce. Door de Rolls Royce niet aan gedaagde af te geven, maakt gedaagde in beginsel inbreuk op het eigendomsrecht van eiser. Eiser heeft daarmee een voldoende spoedeisend belang bij het spoedig in bezit krijgen van zijn eigendom en dus bij de beoordeling van zijn vordering in kort geding.
Op grond van artikel 5:2 BW is de eigenaar van een zaak bevoegd deze zaak op te eisen van eenieder die de zaak zonder recht houdt. Gedaagde stelt zich echter op het standpunt dat hij pas tot afgifte van de Rolls Royce gehouden is als eiser alle openstaande facturen aan hem heeft betaald. De voorzieningenrechter begrijpt dat gedaagde daarmee een beroep doet op het retentierecht van artikel 3:290 BW.
Voor een geslaagd beroep op een retentierecht is in elk geval vereist dat gedaagde voldoende aannemelijk maakt dat hij een opeisbare vordering heeft op eiser.

Eiser en gedaagde zijn het niet eens over de vraag hoe veel eiser tot op heden exact voor de revisie van de motor van de Rolls Royce heeft betaald. Wat daar ook van zij, gedaagde heeft ter zitting toegelicht dat het bedrag dat volgens hem nog openstaat uitsluitend bestaat uit een restant van de factuur van 24 november 2024 en een laatste, ongedateerde factuur die nog niet eerder aan eiser ter beschikking is gesteld.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat deze beide facturen niet opeisbaar zijn. Daartoe wordt overwogen dat uit de door eiser in het geding gebrachte e-mail van 18 december 2024 van gedaagde blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat de factuur van 24 november 2025 wordt herzien en dat eiser het bedrag van € 15.000,00 op deze factuur betaalt. Eiser heeft dat ook gedaan. Niet is gesteld of gebleken dat gedaagde daarna nog een herziene factuur heeft toegestuurd. Evenmin is een herziene factuur in het geding gebracht. Ten aanzien van de laatste factuur geldt dat gedaagde ter zitting heeft verklaard dat deze factuur nog niet aan eiser ter beschikking is gesteld. Alleen al op deze grond is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat deze factuur niet opeisbaar kan zijn: eiser beschikt niet eens over deze factuur en deze factuur is niet eerder dan ter zitting uit de hoge hoed van gedaagde getoverd.

Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat – hoewel deze factuur niet in het geding is gebracht – gedaagde de factuur ter zitting heeft overhandigd aan eiser en eiser na een korte lezing direct heeft verklaard het niet eens te zijn met deze kosten. Niet alleen is volgens hem een onjuist uurtarief gehanteerd, ook is verder gewerkt aan de Rolls Royce na 4 juli 2025, terwijl hij toen al aan gedaagde kenbaar had gemaakt dat hij de overeenkomst heeft ontbonden en dat dit tot gevolg had “dat verbintenissen die nog niet zijn uitgevoerd komen te vervallen”. Hieruit had gedaagde naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op zijn minst moeten begrijpen dat hij zonder nadrukkelijke opdracht van eiser geen verdere werkzaamheden aan de Rolls Royce mocht verrichten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat gedaagde een opeisbare vordering op eiser heeft. Daarmee is niet aan de vereisten van het retentierecht voldaan. Gedaagde mag de Rolls Royce niet langer achterhouden en dient de Rolls Royce aan eiser af te geven. Nu gedaagde geen ander verweer voert zal de voorzieningenrechter de vordering van eiser grotendeels toewijzen.

De voorzieningenrechter veroordeelt gedaagde om uiterlijk 7 dagen na betekening van dit vonnis de Rolls Royce met alle (losse) onderdelen aan eiser af te geven, veroordeelt gedaagde om aan eiser een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat hij niet aan de veroordeling van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 en veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.765,02 en tot betaling van de wettelijke rente.

Dit vonnis is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.

Bron: extract van vonnis in zaaknummer C/02/438799 / KG ZA 25-425, vindplaats: ECLI:NL:RBZWB:2025:6920

12/10/2025

“KEEK OP EEN BIJZONDERE WEEK”

- Twee letstelschades uitstekend afgerond na ernstige ongevallen.
- Goudgerande regeling behaald in een ontslagzaak.
- Gerechtelijke incassoprocedure na vele jaren afgerond. Ook hier wint de aanhouder.
- “Eindeloze” ruzie over een erfenis met een regeling opgelost.
- Een grote industriële claim wegens wanprestatie afgewend.
- Een cliënt behoed voor een heilloze start van een procedure.
- Grootzakelijke samenwerkingsovereenkomsten opgesteld.
- Gemeentelijke handhaving van een bouw om kunnen zetten naar legalisatie.
- En tot slot nog voor een cliënt een ingenomen rijbewijs retour ontvangen.

02/08/2025

VOORTAAN KEURINGEN VOOR VOERTUIGEN OUDER DAN 10 JAAR
APK-keuring naar Nederlands of Europees recht?

De Europese Unie werkt momenteel aan een herziening van de regels voor periodieke voertuigkeuringen, met als doel de verkeersveiligheid en milieuprestaties te verbeteren. Hoewel er voorstellen zijn gedaan voor strengere keuringen, blijven oldtimers in veel gevallen vrijgesteld van deze verplichtingen. Wat houden de nieuwe EU-voorstellen in?

Op 24 april 2025 heeft de Europese Commissie een pakket maatregelen voorgesteld dat onder andere het volgende omvat:
- Jaarlijkse keuringen voor voertuigen ouder dan 10 jaar: Dit zou betekenen dat voertuigen die ouder zijn dan tien jaar jaarlijks gekeurd moeten worden, in plaats van de huidige frequentie.
- Strengere emissietests: Er worden geavanceerde methoden geïntroduceerd om voertuigen met een hoge uitstoot op te sporen, waaronder tests voor ultrafijnstof en NOx.
- Digitalisering van keuringsdocumenten: Invoering van elektronische kentekenbewijzen en keuringscertificaten om administratieve procedures te vereenvoudigen.
- Wederzijdse erkenning van keuringscertificaten: Periodieke technische keuringen zouden makkelijker erkend worden voor mensen die tijdelijk in een ander EU-land wonen.
Deze voorstellen zijn nog in behandeling en moeten nog worden goedgekeurd en geïmplementeerd door de lidstaten.

Vrijstelling voor oldtimers
In Nederland zijn voertuigen van 50 jaar of ouder sinds 1 januari 2021 vrijgesteld van de APK-plicht. Deze vrijstelling blijft voorlopig van kracht. Hoewel de EU nieuwe keuringseisen voorstelt, is er geen specifieke verplichting aangekondigd die deze nationale vrijstelling opheft. Het is echter belangrijk om te benadrukken dat de definitieve impact van de EU-voorstellen op nationale vrijstellingen nog moet worden vastgesteld.

Conclusie
Hoewel de EU strengere keuringseisen voorstelt, blijven oldtimers in Nederland vooralsnog vrijgesteld van de APK-plicht. Het is raadzaam voor eigenaren van klassieke voertuigen om de ontwikkelingen op Europees en nationaal niveau te blijven volgen, aangezien toekomstige regelgeving invloed kan hebben op de huidige vrijstellingen.

25/07/2025

Ellende met een Reliant Scimitar

Gedaagde drijft een eenmanszaak die zich bezighoudt met verscheidene werkzaamheden aan klassieke auto’s. bedrijf is specialist op het gebied van het automerk Reliant. Gedaagde heeft op 1 juli 2021 een offerte uitgebracht aan eiser voor de aankoop, levering, conversie en controle van een Reliant Scimitar GTE uit de modelreeks 1976/1979.

Na het uitbrengen van de offerte heeft eiser in Zweden een Reliant Scimitar uit 1981 gekocht (verder: Scimitar). De Scimitar is ten tijde van de aankoop RHD (Right Hand Drive). Op 5 juli 2021 hebben eiser en gedaagde telefonisch contact gehad over de ombouw van de Scimitar van RHD naar LHD (Left Hand Drive) en herstel van twee gebreken. Op dezelfde dag heeft eiser ook een bedrag van € 2.000,00 aan gedaagde betaald in verband met de aanschaf van het stuurhuis voor de ombouw van RHD naar LHD.

Op 17 juli 2021 is de Scimitar in opdracht van eiser aan een technische inspectie onderworpen door de heer X. Uit die inspectie is naar voren gekomen dat de Scimitar nog drie andere gebreken heeft, die ook hersteld moeten worden. Eiser heeft de Scimitar naar Nederland laten transporteren en de Scimitar is op 19 juli 2021 bij gedaagde aangekomen.

Gedaagde heeft de werkzaamheden verricht en de Scimitar is op 2 juli 2022 aan eiser opgeleverd. Eiser heeft de Scimitar op 25 augustus 2022 laten inspecteren en verschillende tekortkomingen geconstateerd. Gedaagde heeft daarop de Scimitar weer teruggenomen om die tekortkomingen te herstellen en op 4 maart 2023 is de Scimitar (weer) aan eiser opgeleverd. Nadien heeft eiser de Scimitar opnieuw laten inspecteren. Uit deze inspectie is gebleken dat de Scimitar nog steeds tekortkomingen heeft. Gedaagde is niet (meer) bereid (herstel)werkzaamheden te verrichten. Eiser heeft bij brief van 2 juni 2023 de overeenkomst ontbonden en gedaagde gesommeerd tot nakoming van de dientengevolge ontstane ongedaanmakingsverplichtingen. Gedaagde is hiertoe niet bereid.

Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad een verklaring voor recht dat gedaagde jegens eiser tekort is geschoten en de overeenkomst bij brief d.d. 2 juni 2023 is ontbonden en gedaagde te veroordelen tot betaling van € 13.448,92 + PM stallingskosten vanaf september 2023. Gedaagde voert verweer.
Partijen zijn het erover eens dat er tussen hen mondeling een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen met betrekking tot de Scimitar. Eiser stelt dat hij schade heeft geleden doordat gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Om die vordering te kunnen beoordelen is eerst van belang vast te stellen welke verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst op gedaagde rusten. Eiser stelt dat hij opdracht heeft gegeven aan gedaagde voor de ombouw van de Scimitar van RHD naar LHD en het rijdbaar en veilig maken van de auto zodanig dat deze de Nederlandse APK kan doorstaan. Als uitgangspunt voor deze opdracht geldt volgens eiser de offerte. Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiser verklaard dat hij de offerte heeft opgevraagd als richtlijn voor de kosten. Verder is volgens eiser afgesproken dat aangetroffen gebreken hersteld en verbeteringen uitgevoerd zouden worden door gedaagde, nadat overleg met eiser had plaatsgevonden. gedaagde zou wekelijks factureren aan eiser.

Gedaagde voert hiertegen aan dat de offerte een algemene offerte is voor herstel c.q. restauratiewerkzaamheden van een Reliant Scimitar, waarbij een globale inschatting is gegeven van de werkzaamheden en daarmee gepaard gaande tijd. Deze Scimitar komt uit een andere modelreeks dan de Scimitar. Tussen de modellen zitten diverse verschillen, waardoor de offerte volgens gedaagde niet kan worden gebruikt voor deze Scimitar. Bovendien heeft de offerte als vervaldatum 16 juli 2023 en is de offerte voor die datum niet geaccepteerd door eiser. Daardoor is volgens gedaagde de offerte komen te vervallen. Nadat eiser een andere scimitar heeft aangeschaft zijn partijen mondeling overeengekomen welke specifieke werkzaamheden door gedaagde worden verricht. Volgens gedaagde bestaan die werkzaamheden uit de ombouw van RHD naar LHD, het opnieuw afstellen van één van de autodeuren en het herstellen van het uitlaatsysteem, de tankdop, de lak op drie punten en twee scheuren in het hangmechanisme van de rechterdeur. Deze werkzaamheden volgen ook uit de facturen. Volgens gedaagde zijn partijen niet overeengekomen dat gedaagde werkzaamheden zou verrichten om er voor te zorgen de Scimitar de Nederlandse APK zou kunnen doorstaan. Evenmin is aan gedaagde opdracht verstrekt om een volledige inspectie van de Scimitar te doen. Als tijdens de werkzaamheden zou blijken van aanvullende gebreken, dan hadden partijen afgesproken dat gedaagde, alvorens deze gebreken te herstellen, overleg zou plegen met eiser.

Naar het oordeel van de kantonrechter is aan gedaagde in ieder geval opdracht verstrekt om de auto om te bouwen van RHD naar LHD, één van de autodeuren opnieuw af te stellen en het herstellen van het uitlaatsysteem, de tankdop, de lak op drie punten en twee scheuren in het hangmechanisme van de rechterdeur. Deze werkzaamheden volgen ook uit de facturen die door gedaagde zijn gestuurd en door eiser zonder protest zijn gehouden en betaald. Ook in een e-mail van eiser aan gedaagde blijkt dat deze werkzaamheden zijn overeengekomen. In deze e-mail geeft eiser het volgende aan: ‘Wij hebben met elkaar telefonisch (mondeling) afgesproken dat jij een opdracht zou uitvoeren mbt het omzetten van mijn RHD Scimitar naar LHD Scimitar. Wij hebben het gehad over de werkzaamheden, en extra werkzaamheden die er in de loop van tijd bij kunnen komen bij het uitvoeren. Defecten, verbeteringen, zaken die jij als specialist kunt onderkennen. Dit heb je ook gedaan, bv tankdop, rubbers deuren, etc.’

De kantonrechter is van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat aan gedaagde opdracht is verstrekt voor het rijdbaar en veilig maken van de auto zodanig dat de auto de Nederlandse APK-keuring kan doorstaan. De offerte kan niet als uitgangspunt dienen voor de werkzaamheden waarvoor eiser opdracht heeft verstrekt aan gedaagde, omdat de offerte betrekking heeft op een andere Scimitar dan de Scimitar die eiser uiteindelijk heeft gekocht. De offerte heeft immers betrekking op een ander model dan de Scimitar en uit de offerte blijkt dat die Scimitar tien jaar heeft stilgestaan, waardoor alles moet worden nagelopen en worden hersteld. Dit is bij de door eiser gekochte Scimitar niet het geval geweest. Bovendien blijkt niet uit de facturen dat die werkzaamheden zijn verricht en eiser heeft dit ook niet benoemd in zijn e-mail van 27 februari 2023. De kantonrechter neemt daarbij ook in aanmerking dat de Scimitar ten tijde van het verstrekken van de opdracht in juli 2021 nog over een Zweedse APK beschikte die tot 31 maart 2023 geldig was.

Volgens eiser zijn de werkzaamheden door gedaagde niet goed uitgevoerd en eiser heeft een lijst met tekortkomingen verstrekt aan gedaagde. Eiser mocht verwachten dat gedaagde het werk voortvarend en naar eisen van goed vakmanschap zou uitvoeren. Daarvan is volgens eiser geen sprake, omdat gedaagde een onveilige auto oplevert die niet de APK-keuring kan doorstaan. Nadat gedaagde aan eiser heeft bericht dat volgens hem alles naar behoren is uitgevoerd en gedaagde de opdracht als afgesloten heeft beschouwd, heeft eiser de heer Y van Scimitar & TVR Centre The Workshop (verder Y) ingeschakeld om het door gedaagde uitgevoerde werk nader te inspecteren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiser verklaard dat hij aan Y opdracht heeft verstrekt te onderzoeken of de auto APK-waardig was en/of de ombouw goed is gebeurd en dat de opdracht aan Y ruimer is dan de werkzaamheden waarvoor opdracht is verstrekt aan gedaagde. Door Y is een rapport opgesteld van de door hem uitgevoerde inspectie. Uit het rapport volgt volgens eiser onder meer dat de ombouw slecht is uitgevoerd en er diverse punten c.q. gebreken zijn aan de Scimitar die ertoe leiden dat de Scimitar niet door de APK komt.

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen geen fatale termijn overeengekomen voor de werkzaamheden. Aan gedaagde is opdracht verstrekt werkzaamheden te verrichten, waarbij gedaagde tevens overleg diende te plegen met eiser als hij tijdens de werkzaamheden nieuwe gebreken zou vaststellen. Dit impliceert naar het oordeel van de kantonrechter dat de duur van de opdracht op voorhand niet vast kon staan. Bovendien heeft gedaagde voorafgaand aan de opdracht kenbaar gemaakt dat hij beperkt beschikbaar is, waardoor het enkele tijdsverloop er niet toe kan leiden dat geen sprake is van voortvarendheid. eiser heeft voor de onderbouwing van de tekortkomingen aan de Scimitar verwezen naar het rapport. De inspectie die Y heeft verricht omvat meer dan het inspecteren van de werkzaamheden waarvoor aan gedaagde opdracht is verstrekt.

Het had op de weg van eiser gelegen om te onderbouwen en te motiveren welke punten uit het rapport betrekking hebben op de door gedaagde overeengekomen en verrichte werkzaamheden. Nu eiser dit niet heeft gedaan, heeft eiser naar het oordeel van de kantonrechter niet aangetoond dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van gedaagde.
De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt eiser in de proceskosten van € 832,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Egberink en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.

Bron: extract van de uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2024:3201

19/07/2025

AGENT MOET BOETE AANKONDIGEN BIJ STAANDEHOUDING

Aan betrokkene is een boete opgelegd. De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken’, verricht met een motorfiets. De opgelegde boete bedraagt € 289,00.

Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft het beroep op 11 maart 2025 op de zitting behandeld. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Betrokkene voert aan dat hij in eerste instantie voor zijn snelheid was staande gehouden, omdat de verbalisant dacht dat zijn voertuig een brommer was. Betrokkene stelt dat de verbalisant hem daarna vragen heeft gesteld over de verlichting en banden en vervolgens een geluidsmeting heeft uitgevoerd met zijn telefoon. Betrokkene stelt dat de verbalisanten pas nadat zij met de auto waren vertrokken de sanctie voor onnodig geluid hebben opgelegd. Betrokkene voert verder aan dat het voertuig is goedgekeurd door de RDW.

De vertegenwoordiger van het OM stelt ter zitting dat het niet ongebruikelijk is dat verbalisanten tijdens de staandehouding het voertuig nog controleren. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de waarneming van de verbalisant losgekoppeld moet worden van het gesprek met betrokkene en verzoekt de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren.

De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “Ik, verbalisant, zag genoemd voertuig door de Stationsweg te Drachten rijden. Ik zag dat het voertuig een snelheid van ongeveer 50 km per uur reed. Ik hoorde dat het motor toerental verhoogd werd en hoorde luide klappen uit de uitlaad. Ik zag dat het voertuig niet sneller ging rijden. Ik zag dat er in de straat verschillende mensen op het terras zaten.” In het aanvullend proces-verbaal verklaart de verbalisant onder andere dat hij zich de details van de controle niet kan herinneren. Verder verklaart de verbalisant dat het kan kloppen dat het geluid is gemeten middels een applicatie op de telefoon, maar dat deze applicatie inmiddels niet meer in gebruik is.

De kantonrechter overweegt dat de verklaring van de verbalisant in het aanvullend proces-verbaal correspondeert met de beroepsgronden van betrokkene, waardoor de kantonrechter de door betrokkene omschreven situatie aannemelijk acht. In dat verband merkt de kantonrechter op dat de verbalisant zich de situatie niet goed meer kan herinneren. Gelet op vorenstaande acht de kantonrechter het aannemelijk dat aan betrokkene tijdens de staandehouding niet een boete voor onnodig geluid is opgelegd. Nu betrokkene niet de mogelijkheid heeft gehad om op de oplegging van deze boete te reageren, is de kantonrechter van oordeel dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. De kantonrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt te boete.

Bron: extract van de uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2025:1325

13/07/2025

DREIGING MET HOGERE BOETE LEIDT TOT HELEMAAL GEEN BOETE

De geconstateerde verkeersovertreding is ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht met een bedrijfsauto. De opgelegde sanctie bedraagt € 389,00.
Betrokkene betwist dat hij een mobiel elektronisch apparaat vasthield. Volgens hem had hij een lampje vast. Bij de staandehouding liet hij dit zien aan de verbalisant, die volgens betrokkene zichtbaar twijfelde. Vervolgens dreigde de verbalisant met een proces-verbaal op grond van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 in plaats van een bekeuring voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat, waarop betrokkene – voor zijn gevoel onder dwang – heeft gekozen voor het laatste.

De vertegenwoordiger van het OM stelt zich op het standpunt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Volgens hem mag worden aangenomen dat verbalisanten het goed kunnen zien als zij vlak langs een voertuig rijden. Het is daarom moeilijk voor te stellen dat een lamp is aangezien voor een mobiele telefoon. Maar de manier waarop de discussie is verlopen vindt de vertegenwoordiger raar. Bij het opleggen van een grote boete moet je overtuigd zijn en dat staat niet vast.

De kantonrechter overweegt als volgt. De verkeersovertreding kan niet worden vastgesteld. De verbalisant heeft verklaard dat hij betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon horizontaal boven het stuur zag vasthouden met de rechterhand. Bij de staandehouding herkende hij de iPhone van betrokkene als het apparaat dat tijdens het rijden werd vastgehouden. Toen betrokkene aangaf dat het een buitenlamp was die hij alvast bekeek omdat hij die straks moest installeren, en geen mobiele telefoon, zei de verbalisant tegen hem dat hij het nog gevaarlijker vond dat betrokkene achter het stuur met zijn werkzaamheden bezig was en niet met het verkeer om hem heen. Toen de verbalisant dreigde met een boete op grond van artikel 5 van de WVW 1994 – die volgens de verbalisant gevolgen kon hebben voor het rijbewijs van betrokkene, zei betrokkene dat hij dan maar een boete moest opleggen voor de mobiele telefoon. De verbalisant heeft een foto van de lamp gemaakt en deze bij het zaakoverzicht gevoegd. De kantonrechter maakt uit deze gang van zaken op dat de verbalisant kennelijk twijfelde aan zijn eigen waarneming. Hij dreigde immers met een boete op grond van artikel 5 van de WVW 1994 en liet betrokkene kiezen voor een boete voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat, die vreesde voor het behoud van zijn rijbewijs. Er bestaat daarom reden om te twijfelen aan de waarneming van de verbalisant en die twijfel wordt in het voordeel van betrokkene uitgelegd. De kantonrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt te boete.

Bron: extract van de uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2025:1239

Clemens Meerts
Beegden

email: [email protected]

Adres

Dorpsplein 2
Beegden
6099AS

Openingstijden

Maandag 08:30 - 17:00
Dinsdag 08:30 - 17:00
Woensdag 08:30 - 17:00
Donderdag 08:30 - 17:00
Vrijdag 08:30 - 17:00

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Meerts Rechtspraktijk en Meerts Boekhoudingen nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Contact

Stuur een bericht naar Meerts Rechtspraktijk en Meerts Boekhoudingen:

Delen